Schriftlezing: Jeremia 1: 4 – 19 en Mattheüs 26: 36 – 46

Trefwoord: Overtuiging



Samenvatting van de preek:

Het is twintig jaar geleden dat Jeremia geroepen werd. In de tussentijd is er van alles gebeurd. Hij heeft gesproken, herhaaldelijk gesproken, of hij wilde of niet. Veel oordeel, veel gericht, veel onheil. Wij zouden zeggen: hel en verdoemenis. Ik zou daar aan toe kunnen voegen: daar houden we niet van, nu niet, toen niet. De inwoners van Jeruzalem dachten: wij hebben het prima voor elkaar. In de politiek: de brute, onberekenbare grootmachten van vroeger waren niet groot meer. Assyrië had zich in het Noorden teruggetrokken. Egypte in het Zuiden hield zich stil. De zware belastingen van Assyrië werden domweg niet meer betaald. En zonder enige consequentie. Het kleine staatje Juda bloeide op. Een jonge koning had de troon beklommen, Josia. Hij had de mensen moed gegeven. Stapje voor stapje had hij gebroken met het verleden. Hij had grote schoonmaak gehouden, de baäls en de astartes opgeruimd. Economisch ging het steeds beter. Optimisme alom. De toekomst lag open.
Dwars tegen deze krachtige stroom van optimisme in spreekt Jeremia. Hij kan het niet laten. Hij niet? Of God niet? Zeker is dat Jeremia werd overladen met hoon en spot. De mensen wílden domweg niet horen, wat hij te zeggen had. Ze sloten hun oren voor zijn woorden. Hij werd verdacht gemaakt: die Jeremia, die is niet te vertrouwen, weet je wel … . Hij werd verguisd. Hij werd bedreigt: als je nog één keer je mond open doet … . Hij had moeten vluchten. De mensen om hem heen hadden hem geplaagd, gepest met zijn naam: Jeremia, die jeremieert, die klaagt, zeurt, lamenteert … . Hij brengt onrust. Hij is slecht voor het moreel, een gevaar voor onze kinderen. De psychologen stonden al klaar: onverstandig om met zulke harde woorden de mensen tegemoet te treden, je moest ze juist bevestigen, bemoedigen … . Jeremia was zich er allemaal van bewust. Maar wat kon hij ertegenin brengen? Al die tegenstand? Hoe kon hij stand houden?
Hoe houden wij stand als ons geloof wordt aangevochten? Persoonlijk, als mensen vragen: geloof jij, jij?! Of als we merken dat geloof in de samenleving steeds meer een privé-kwestie aan het woorden is. Het mag wel, maar een ander moet er vooral niets van merken.
Jeremia gaat twintig jaar in de tijd terug. Hoe is het allemaal begonnen? Hij zet alle gegevens nog eens op een rijtje. Voor zichzelf, voor anderen.

Jeremia is de zoon van een priester, hij is geboren in een priestergeslacht. Hij komt uit een klein dorpje, vlak bij Jeruzalem gelegen, Anatot. Zijn naam betekent zoveel als: de Heer sticht, de Heer bouwt. Zij ouders verwachtten: de Heer zal opbouwen door zijn priesterschap. Hij zal zijn vader opvolgen. Hij zal in de tempel offers brengen, gebeden zeggen, zoals het van generatie op generatie steeds is gegaan. Maar de Heer had iets anders met hem voor. Zo zegt Hij al bij zijn roeping: nog voor je geboren werd, had Ik jou op het oog, toen zag Ik al dat jij profeet moest worden. Jeremia was er als het ware voor in de wieg gelegd. Net als Jakob en Esau, net als Simson, net als Johannes de Doper, net als Jezus. Nog voor ze geboren waren, was hun bestemming bekend. Nog voor ze geboren waren … . Het lijkt wel alsof Jeremia met de woorden van God de woorden van psalm 139 in herinnering roept. Heer, U doorgrondt mij, U kent mij, U was erbij toen ik in het verborgene gemaakt werd, U zag mijn vormeloos begin. Als we die woorden zouden aanvaarden, zelf op de lippen zouden kunnen nemen, als we daar nu werkelijk van overtuigd zouden zijn, als we ons leven eens zo zouden kunnen verankeren … .
Jeremia kon deze woorden (nog) niet aanvaarden. Geen wonder. Hij was waarschijnlijk nog maar een puber op het moment dat hij geroepen werd, een jaar of 13, 14. Tegenwoordig zouden we dat al knap jong vinden, maar toen helemaal. Het was: hoe ouder, hoe wijzer, hoe geloofwaardiger. Jeremia, een puber, nog amper ontwikkeld, nog niet goed in staat uit te maken wat hij wel en niet kon, wat hij en wel niet wilde, wat hij wel en niet geloofde … . Uiterst onzeker. Ach Heer, ik kan niet spreken, ik ben jong. Wie zal mij serieus nemen? Wie zal er naar mij luisteren? Het is alsof hij tegen zichzelf en tegen anderen wil zeggen: het overkwam mij ook maar, ik heb dit niet gezocht, niet gewild, ik was er helemaal niet klaar voor. Dit was bepaald niet mijn jongensdroom. Integendeel! Ik heb me verzet. Het is tegen mijn wil, tegen mijn dank in gebeurd. Jeremia stelt zich kwetsbaar op, uiterst kwetsbaar. Zouden wij dat kunnen, in ons geloven?
De Heer antwoordt hem: zeg niet dat je jong bent. Dat is geen argument. Het gaat niet om jou. Het gaat om Mijn Woord. Jij gaat, waarheen Ik je zend; je spreekt het Woord, dat Ik tot je spreek. Vergeet niet: Ik ben bij je, steeds weer, als je bevrijder. Dat is zeker hier geen goedmakertje, zo van: het komt allemaal uiteindelijk wel goed. Jeremia had anders ondervonden. Uiteindelijk zou hij in de verwarring van de Babylonische ballingschap (586 vChr) sterven. Deze woorden betekenen in de eerste plaats: je zult je opdracht, je missie kunnen vervullen. Op dat moment voelt Jeremia dat God zijn lippen aanraakt, dat Hij kracht geeft, dat hij opnieuw geboren wordt en zich overgeeft. Zouden wij het aandurven ons zo, om niet, gewonnen te geven aan God? Geloof heeft vaak iets van: omdat ik niet anders weet, het altijd zo heb gedaan; of omdat ik er iets aan heb; of omdat het mij kracht geeft. Voor wat, hoort wat. Durven wij het geloofsavontuur aan door te zeggen: het gaat niet om mijzelf, maar het gaat om God?!

Eens heeft Jezus aan Zijn discipelen gevraagd: wie zeggen de mensen dat Ik ben? Het ene na het andere antwoord komt: Johannes de Doper, Elia, Jeremia, of een andere profeet. Jeremia heeft een weerbarstige boodschap. Oordeel, onheil. Dat roept irritatie, ergernis, verzet op. In dat laatste wijst hij ons vandaag op Jezus. Hij verkondigt het Koninkrijk van God, de liefde van God, dat Hij zal sterven voor zondige mensen, dat de laatsten, de achtergeschovenen in de samenleving, dat zij de eerste zullen worden, dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komende is. Daarop moet we misschien niet al te snel ja knikken. Het is iets anders dan een gemakkelijke, goedkope verkiezingsbelofte. Het is veel meer dan het mobiliseren van onvrede. Want wat Hij zegt, betekent ook: er ís zonde. En: u kunt nog zo druk bezig zijn uw belangen veilig te stellen, uw geld, uw eigen woonomgeving, uiteindelijk is er een Ander die regeert … . Jezus laat me mijn eigen onvermogen, mijn eigen beperkingen zien. Ik kan het niet op eigen kracht. Dat is ongemakkelijk, irritant. Net als bij Jeremia eens. Iemand zei ooit eens: christen zijn, dat betekent niet dat ik me op de borst kan slaan, dat ik het allemaal zo goed doe, maar dat betekent juist: ik kan het niet alleen.
God zij dank, dat toen het donker werd om Hem heen, toen Hij angstig werd en onzeker, daar in de hof van Gethsémané, dat Hij de wil van Zijn Vader heeft aanvaard. Dat de weg van het lijden, de weg van het kruis, dat dat van de moederschoot af Zijn weg was. Dat Hij Zich juist op dit moment in al Zijn kwetsbaarheid aan ons liet kennen. Dat Hij niet voor zichzelf, niet voor Zijn eigen eer, maar voor Zijn Vader – en daarin voor ons – gekozen heeft. Nu wij nog.



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (3.9 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2006, KWdJ