Schriftlezing: Jesaja 52: 13 – 53: 12

Tekst/thema: ‘Versleten?’



Samenvatting van de preek:


Petrus die in de St. Pieter in Rome staat Ik begin vandaag met een beeld. Sommigen zullen het herkennen: het is het beeld van Petrus dat in de St. Pieter in Rome staat. Ik zag het zelf voor de eerste keer in 1977, bij een excursiereis met school naar Florence en Rome. Ik herinner me nog goed dat allerlei mensen die voet wilden aanraken en kussen. Hoewel, de voet … ? Het was niet meer dan het restant van een voet.
Een beeld kan slijten. Woorden kunnen slijten. Ooit las ik in een groep Psalm 103, een Psalm die vroeger iedere keer bij het Avondmaal werd gelezen, als dankzegging. Toen ik de groep vroeg te reageren op de Psalm, konden ze dat niet. De woorden waren min of meer versleten. Niet dat ze het niet mooi vonden, dat niet! Maar het riep in eerste instantie geen emotie meer op. Pas na lezen en herlezen kwam dat langzaam weer terug.
Zo kan het vanmorgen ook zijn met de woorden van Jesaja 52-53. Dit gedeelte is altijd direct verbonden met het lijden van de Here Jezus. We kunnen de woorden niet goed op zichzelf horen. Wat zegt het, zelfs als we ze toepassen op Jezus: ‘Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden werd Hij gebroken … .’ Het zijn prachtige woorden, onmiskenbaar. Maar ze lijken onderhevig aan de slijtage van de tijd.

Ik hoop dat u mij kunt volgen. Het begint wat technisch. Het lied dat Jesaja vanmorgen tot klinken brengt pas in het tweede deel van het boek Jesaja en is getekend door de Babylonische ballingschap (586 vChr). Het volk was weggevoerd, weg van alles wat vertrouwd en veilig is. Dat had een enorme bezinning op gang gebracht. Waar hebben wij dit aan te danken? Wat hebben wij verkeerd gedaan? Wat kunnen wij hier aan doen? Het was een ingrijpende gebeurtenis die hen niet los liet, niet los kon laten. Onwillekeurig denk ik aan WO II. Na die oorlog kwam er van alles op gang. De Verenigde Naties werden opgericht, de Wereldraad van Kerken … . Lange tijd heeft de oorlog direct en indirecht een stempel gedrukt op het denken en handelen. Nu ebt dat langzaam weg. Een volgende oriëntatiepunt is de val van de Muur in 1989, het nieuwe tijdperk dat dat inluidde en dat vooralsnog lijkt te eindigen in crises. Het lied van vanmorgen klinkt aan het einde van de ballingschap. Tientallen jaren zijn verstreken nadat het volk in 586 vChr. uit Jeruzalem is weggevoerd. De ouderen, ouders zijn inmiddels gestorven. Een nieuwe generatie groeit op. Zij leden net zo goed, zwaar zelfs. Maar er is een wezenlijk verschil. Zij hadden geen directe schuld. Hun ouders en grootouders, hun voorgeslacht, die had het in het vertrouwen op God laten zitten. Zij niet. Hun ouders hadden een antwoord gevonden op de grote waarom-vragen. Zij waren er van overtuigd dat het een direct gevolg was van hun eigen falen, hun afkeer van God. Voor de kinderen en de kleinkinderen was dat geen antwoord.
Bij het voorgaande moeten we nog één ding bedenken. Voorafgaande aan dit lied zegt Jesaja: de ballingschap is voorbij, jullie kunnen Babel verlaten. Aansluitend op dit lied profeteert Jesaja over de terugkeer naar Jeruzalem, de stad die haar kinderen met open armen zal ontvangen. Die bevrijding roept nieuwe vragen op. Hoe kan het dat de ballingschap voorbij is, dat we naar huis terug mogen keren? Natuurlijk, wij zijn zelf onschuldig, maar wat heeft God zover gebracht, dat Hij dit mogelijk maakte?

Wij zijn gewend een verhaal op te bouwen, van A tot Z. In veel Bijbelse gedichten en verhalen werkt het anders. Daar staat de conclusie in het hart, letterlijk en figuurlijk, in het midden. Aan het begin en einde van het lied van vanmorgen staat een lofrede op de knecht. De knecht stierf. Hij vluchtte niet weg, hij was zelf onschuldig, zonder zonde, maar hij droeg de zonde en de schuld van anderen. Zo heeft hij zich klein gemaakt. Maar om zijn vertrouwen heeft God hem groot gemaakt. Hij staat in het licht. Zelfs de machthebbers staan versteld.
Dit lied kent verschillende ‘lagen’. De eerste laag is die van de tweede en mogelijk zelfs derde generatie ballingen. Het gaat in dit lied over een dienaar in enkelvoud, maar daarmee kan ook heel het volk bedoeld worden. De ballingen worden behandeld als tweederangs burgers. Ze worden met de nek aangekeken. Ze voelen zich klein, minderwaardig. Maar ze houden vol. Ze blijven vertrouwen op God. Tot het einde toe.
Jesaje zingt: dit onschuldig lijden, het ondanks dat lijden blijven vertrouwen op de Allerhoogste, dat laat God niet onberoerd. Hij ziet het. God schenkt hierop verzoening. Let op de volgorde: niet lijden om verzoening te bewerkstelligen, maar omdat dat lijden er nu eenmaal is zonder dat daar aanleiding toe is, daarom schenkt God verzoening, heelheid. Voor deze mensen betekent dat: je mag terugkeren naar huis, naar Jeruzalem.
Dat gegeven is niet nieuw: rechtvaardigen die God doen veranderen. Abraham pleit omwille van een klein getal van rechtvaardigen voor de stad Sodom. Mozes pleit voor het volk Israël als het ongehoorzaam is, murmureert, als het zich overgeeft aan het gouden kalf. Het gebeurt steeds opnieuw.

Wie is die knecht? Zo vraagt de kamerheer uit Ethiopië. Hij is naar Jeruzalem geweest. Hij heeft een boekrol met de tekst van Jesaja gekocht. Hij leest van het schaap dat stom is voor zijn scheerders … . Philippus legt het hem uit.
Wie is die knecht? Voor de christelijke gemeente, voor ons is dat in de eerste plaats Jezus Christus geworden. Zijn gestalte wordt hier uitgetekend: Hij is de verachte, de verguisde, de vernederde. Hij is de mishandelde die zich niet verzette. Hij heeft geleden met een onrechtvaardig vonnis. Hij heeft nooit onrecht gedaan, leugens verteld. Bij al die anderen is er ook onrecht geweest. Abraham durfde niet vertrouwen op Gods belofte dat hij nog een kind zou krijgen. Mozes kón het op een gegeven moment niet meer, hij wilde de last niet meer dragen. Maar Jezus, Hij vertrouwt volledig op Zijn Vader, door de angsten heen. Daarom ook kan Hij vóór Zijn dood al over Zijn opstanding spreken. Zo schenkt God verzoening. Dat blijft iets heel vreemds, ongrijpbaars, dat God ons door Jezus Christus onze zonden wil vergeven. Toch is het wezenlijk: een onuitwisbaar teken van Gods liefde, maar ook een onuitwisbaar teken dat je bij God en met God opnieuw mag beginnen.

Tot slot. Wat doe je met een versleten voet, zoals bij het Petrus-beeld in de St. Pieter? Naar verluidt wordt er naar verloop van tijd weer een nieuwe aangezet. Misschien moet dat ook maar met die woorden uit Jesaja 52-53. Ze bepalen ons bij Gods hartsgeheim.

Alphendebron/090405




De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (4.1 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2009, KWdJ