Schriftlezing: Jesaja 61:1Ė11

Van 1985 tot 1987 heb ik in Hongarije gewoond. Dus: voor de val van de muur. Ik was uitgezonden door het Nederlandse Werelddiakonaat en daar als student ingeschreven aan een Theologische Academie in Boedapest. Mijn opdracht was ruim. Ik moest de taal leren, contacten leggen, studeren, al naar gelang de situatie ingaf om te doen. In verhouding tot omringende landen van het Oostblok hadden de Hongaren het goed. Maar ook al was de leiband misschien twee keer zo lang, het was nog steeds een leiband die de vrijheid belemmerde. Zou er ooit iets in deze situatie gaan veranderen? Het leek allemaal uitzichtloos. Tot het 1989 werd Ė ik was toen overigens al lang weer terug in Nederland. De grenzen gingen open, de muur viel, het ijzeren gordijn werd opengeschoven. Het ene na het andere regime viel. Het waren euforische dagen, daar, hier. Er zou, er moest iets gaan veranderen. Een nieuwe wereldorde is aanstaande, zo werd geroepen. Maar al snel keerde de realiteit van alledag terug. De misdaad nam toe. Voorheen was Boedapest ook ís avonds en ís nachts vrijwel overal veilig. Na 1989 verslechterde dat al snel. De invloed van de maffia groeide, er ontstond corruptie, nog meer dan voorheen. De welvaart nam voor velen niet toe, maar af. Er ontstonden problemen met drugs, met een opstandige jeugd.

De Hongaren, Roemenen en al die anderen dachten: de ballingschap is voorbij. Dat dachten ook de Joden in Babel, toen ze terugkeerden naar hun land. Hier hadden ze lang op gewacht! Nu zou het allemaal gaan gebeuren. Ze hadden verhalen gehoord over hoe het was, daar in het door God beloofde land. Ze hadden zich voorstellingen gemaakt, zich een ideaal gevormd: ĎAls God ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijní (vgl. psalm 126). Maar als ze dan aankomen, dan valt alles bitter tegen. De huizen liggen in puin. De steden, knooppunten van handel, plaatsen van veiligheid: er is allemaal weinig van over. Het akkerland is verwaarloosd, kennis en inzicht om de dieren te hoeden ontbreekt. Alles valt tegen. De teruggekeerde ballingen weten niet wat ze moeten doen.

En wij, weten wij, wat we moeten doen? Twee berichten, tamelijk willekeurig geplukt uit het nieuws van afgelopen week. Een vader slaat de directeur van de school van zijn dochtertje met een knuppel in elkaar, want de directeur zou het meisje hebben opgedragen naar haar klas te gaan. Een dag later: steeds meer zwervers, vooral vrouwen, jongeren en ex-psychiatrische patiŽnten. Natuurlijk: er gebeuren ook veel goede, veel mooie, veel hoopgevende dingen, vooral in het klein. Maar de samenleving als geheel lijkt zich te verharden. Wat dachten wij in 1989? Welke hoop leefde toen in ons? En wat is er van terecht gekomen?

Hoe dan verder? Wat blijft er ons dan nog over? Jesaja profeteert: de Geest van de Heer is op mij. En hij geeft een blijde boodschap, een evangelie door. Onmacht, onvermogen, onverschilligheid: het wordt alles doorbroken. Jesaja ziet de mensen treuren op de puinhopen, de ruÔnes van Jeruzalem. Zij weten het niet meer. Ze rouwen om een wereld die volledig verloren lijkt te zijn gegaan. Nu, voor hen: geen as op hun hoofd, maar een schitterende diadeem; geen rouw voor hen, maar vreugde; geen ongrijpbaar, in zichzelf gekeerd zielig hoopje mens, maar iemand die voor de dag kan komen. Wat er in de harten is aan pijn, aan verdriet: het zal geheeld worden. Wie zich nu nog in de marge van de samenleving bevindt, of het nu is wegens fysiek, financieel of psychisch geweld, zij/hij mag er zijn. Het kan anders! Het zal anders!

De Geest van de Heer is op mij. Die woorden zijn opgepakt door Jezus en hij verkondigt opnieuw de blijde boodschap van Jesaja. Hij verkondigt ze ons. Omdat ook ons hart dikwijls gebroken aanvoelt, verbittert, teleurgesteld als we zijn door het leven. Omdat wij gevangen kunnen zijn in ons verleden, de goede herinneringen koesteren, de slechte angstvallig wegstoppen. Maar het blijft bij Jezus niet bij verkondigen, bij toezeggen. In Hem hebben wij gezien, is tastbaar geworden, dat anders kan, anders zal: in, door, met Hem kunnen wij leven uit vergeving, verzoening, toekomstgericht.

Een kort verhaaltje tot besluit. Toen rabbi Mose vijf jaar oud was, gebeurde het dat zijn ouderlijk huis afbrandde. Niemand kwam om, maar zijn moeder was ontroostbaar. Ze huilde, ze schreeuwde en was met geen mogelijkheid stil te krijgen. Waarom toch, vroeg het kind, huilt u zo? Omdat zich in het huis een stamboom bevond die terugging op rabbi Jochanan, de sandalenmaker, een van de grootste meesters van de Talmoed, de Joodse Schriftuitleg. Die stamboom is nu weg. Daarop antwoordde rabbi Mose zijn moeder: maar u hebt mij toch, ik kan toch aan het begin staan van een nieuwe stamboom?!

De Geest van de Heer was op Jezus. De Geest van de Heer zij zo ook op u, op ons allen!

Alphendebron/010121

© 2001, KWdJ