Schriftlezing: Johannes 11: 1 – 53

De preek heeft veel van een collage, een schilderij met verschillende tafereeltjes. Net als Johannes 11 eigenlijk. Het vormt een geheel, complex zoals iemand opmerkte, maar de verbanden ontgaan ons soms. Centraal staat Lazarus, het gesprek dat Jezus voert over dood en leven. Daarbij: Maria en Martha verschijnen in een onverwachte setting. Het is niet Maria, zoals we misschien vanuit die andere episode over deze zusters zouden verwachten, maar het is Martha die Jezus tegemoet gaat. Dat alles staat in het kader van de toenemende dreiging voor Jezus. Hij is Zijn leven niet zeker.

Een eerste plaatje: het centrale gedeelte in Johannes 11, de opwekking van Lazarus. Het gebeurde op een school in groep 3. Op het rooster stond het verhaal van Lazarus. In de metro onderweg naar zijn werk nam de onderwijzer het verhaal nog eens door. Hij kende het wel. Echt eens een verhaal om lekker spannend aan de kinderen te vertellen. De kinderen zaten in de kring en het gebeurde, zoals hij gewild en verwacht had. De spanning zat er goed in. Tot op het laatste, verlossende woord: Lazarus, kom naar buiten! En Lazarus kwám naar buiten. Opgelucht haalden de kinderen adem. Behalve het ene jongetje tegenover hem. Die wilde wat zeggen en stak zijn vinger op. Hij wachtte amper de beurt af en meldde: ‘mijn opa is ook dood’. Het was alsof hij wilde zeggen: Lazarus wel, maar mijn opa niet. Hoe zit dat? In deze directe vraag liggen verwijten opgesloten, boosheid, onbegrip. Misschien zelfs heel direct ongeloof. Toen wel, nu niet: wat heb ik er dan aan? Bij de voorbereiding ontdekte ik, dat er veel vragen leveren, die alle focussen op Lazarus, zijn overlijden en wat dat allemaal teweeg brengt. Hij moes twee maal sterven. Is dat niet wreed, onmenselijk? En … . Als dan wáár is, wat Jezus zegt, ‘Ik ben de opstanding en het leven …’, waarom dan dit wonder. Dat is toch eigenlijk overbodig?! Het lijkt trouwens wel, of dat vragen van alle tijden zijn. De critici vragen in het verhaal, of Jezus niet wat harder had kunnen opschieten … .

Hoog tijd voor een tweede plaatje, uit de context. Eerst dat wat vooraf gaat. Jezus is in Jeruzalem geweest, voelde zich bedreigd en had zich teruggetrokken in het overjordaanse, nabij de plaats waar Johannes doopte. Wie gaat terugbladeren, ontdekt dat dat bij Betanië was. Direct daarop volgt dan in onze Schriftlezing het bericht, dat een zekere Lazarus in Betanië ziek is. Betanië in duplo. Het lijkt erop, dat de evangelist Johannes met dit alles een bericht wil afgeven, een verwijzing naar de doop. Als Jezus door de Jordaan naar Jeruzalem trekt, als Hij door het water heen moet gaan, dan wijst dat op Zijn door de dood heengaan in Jeruzalem.

Waar is dat lijden van Jezus goed voor? Waarom moeten we daarover nadenken, preken, geleerde verhandelingen schrijven? Het is alsof de evangelist Johannes wil zeggen: ik zal het je laten zien. Om het oneerbiedig te zeggen: het is een plaatje bij een praatje. De dreiging die er uitgaat van Jeruzalem, het aanstaande lijden, het kruis, de opstanding, dat alles is als het ware het grote geld. In het navolgende laat Johannes zien, hoe dat in kleingeld wordt uitbetaald, in het leven van een gewoon mens. In Jezus’ eigen woorden: het gebeurt alles, opdat jullie tot geloof komen, het is ter ere Gods, opdat de Zoon van God verheerlijkt wordt. Met andere woorden: opdat de Zoon van God Zijn rechtmatige plaats in ons leven wordt, dat wil zeggen Heer over ons leven wordt.
Als in een goed verhaal scherpt Johannes het allemaal nog een beetje aan. De naam Lazarus betekent: God helpt. Hij woont te Betanië, een gewone plaatsnaam, maar ook met een betekenis: huis van de arme. De zieke en de arme: als ergens het evangelie nodig is, verwacht wordt, dan wel híer! Want: Jezus heeft Lazarus lief, het wordt met nadrukkelijk gezegd en herzegd. Hoever kan die liefde gaan? Meer dan eens is Jezus al bedreigd, hebben ze Hem willen oppakken, willen stenigen. Er lijkt geen ontkomen aan. Jezus begeeft zich in de gevarenzone, als hij Lazarus zal helpen. Thomas roept in een opwelling uit: laten wij gaan en met Hem sterven! Of is het geen opwelling, maar overtuiging?!

Het derde plaatje. Opnieuw ‘eromheen’, maar dan volgend op de centrale episode. Lazarus is uit de doden opgewekt. Jezus wordt geloof-waard-ig. Velen gaan in Hem geloven. Geen kretologie, niet de zoveelste verkiezingsbelofte, geen boek vol gemeenplaatsen. Hij doet wat Hij zegt, Hij zegt wat Hij doet. Ik bén het leven. Hoevelen zeggen dat niet in tal van bewoordingen, maar vervolgens … ?! Op hoge toon spreekt Bush over levensbedreigend terrorisme, maar alles lijkt terug te voeren op eigen belang. Sharon en Arafat staan tegenover elkaar, elk met zijn eigen verhaal. Het resultaat is dood en verderf. Ik bén het leven. Wie dat zegt, overschrijdt de grenzen van de dood, de grenzen van het doodsgebied, al datgene wat het leven bedreigd. Ik bén het leven. Lazarus komt naar buiten. Voor de machthebbers is dat de spreekwoordelijke druppel. Dan wordt het ineens heel profaan, alledaags. De positie van overpriesters en Farizeeën wordt bedreigd. Zij vertegenwoordigden het volk, omdat ze het geloof van het volk vertolken. Als het volk in Jezus gaat geloven, dan verliezen zij hun positie. Dan raken zij hun achterban kwijt. Welbegrepen eigenbelang: beter dat één sterft dan dat een heel volk verloren gaat.

Tot besluit enkele paradoxen, schijnbare tegenstellingen. Jezus ís het leven, juist daarom moet Hij ten onder gaan, sterven. Jezus ís het leven. Dat is prachtig, maar tegelijk ontmaskerend, onthullend voor al die menselijke praktijken die levennemend zijn, gericht op ons zelfbehoud. Onontkoombaar, onomstotelijk laat Jezus zien, dat wij uit zijn op ons eigen leven, niet op dat van de ander. Juist in Lazarus zien wij gebeuren, waar het om te doen is: om te geven, het leven te geven, niet om te nemen!
De tweede paradox is deze: hoewel wij horig zijn aan de dood, zullen wij juist door Hem, door Zijn dood, leven. De hogepriester verwoordde met zijn woorden het menselijk eigenbelang: beter dat één sterft … . Maar het is Gods belang. En daarom profetisch, zoals Johannes ons vertelt. Hij sterft aan het kruis voor onze zonden, om de verstrooide kinderen Gods te vergaderen te vergaderen, te verzamelen. Al wat ons van God, al wat ons van elkaar verwijdert: Hij neemt het weg en brengt ons bij God, bij elkaar.

Jezus ís het leven. Enerzijds: veel in deze wereld is al dood. Anderzijds: de grens van de dood is door Hem overschreden. In beide gevallen: Zijn kracht, Zijn liefde overschrijdt die grens. Juist bij een lezing als vandaag gaan gedachten uit naar opa, naar moeder, misschien zelfs een kind, door de dood ontnomen. Dat betekent niet, nooit: weg, verdwenen, voor niets geweest. In het licht van het geloof betekent het iets als: geborgen in Gods liefde.
Vroeger werd wel eens gevraagd: bent u bereid te sterven. Beter zou misschien zijn te vragen: bent u bereid te leven? Treffend wordt dat ook verwoord door een oud lied, dat begint met de regel ‘Grijp toch de kansen, door God u gegeven.’ Het refrein daarvan luidt: ‘Niets is hier blijvend. Alles, hoe mooi ook, zal eenmaal vergaan. Maar wat gedaan werd uit liefde voor Jezus: dat houdt zijn waarde en zal blijven bestaan.’

Alphendebron/020317


Print deze pagina

© 2002, KWdJ