Schriftlezing: Johannes 13: 1 – 17

Thema: Jezus’ testament

Menigeen heeft een testament laten maken. Daarvoor is het noodzakelijk om een gang naar de notaris te maken en vast te laten leggen wat er is aan bezittingen en wat daar te zijner tijd mee moet gebeuren. Wat moet er gebeuren met het huis, de inboedel, de sieraden ooit van moeder gekregen, de statenbijbel, en wat al niet meer? De bepalingen zijn niet willekeurig. Wettelijke bepalingen richtlijnen beperken de mogelijkheden. Soms wordt er ook iets opgenomen over de begrafenis: hoe, waar, met wie, door wie. Als alles dan op papier staat moet het ondertekend worden, in het bijzijn van enkele getuigen. Een testament, een laatste wil, een wilsbeschikking: het is de een van de weinige mogelijkheden over de grenzen van de dood heen iets te regelen. Soms roept een testament ontroering op, maar niet zelden ook verdriet, boosheid en teleurstelling.

Jezus maakt Zijn testament. Hij neemt het initiatief, Hij neemt Zijn lot in handen. Samen met Zijn vrienden, Zijn leerlingen houdt Hij maaltijd. Aan de maaltijd gaat het ritueel van de voetwassing vooraf. Eigenlijk is dat werk voor een knecht, een slaaf. Het is bepaald weinig fris. Een voor een gaat Jezus Zijn leerlingen af. In de kring groeit de verbazing, de verbijstering, de schrik. Geen van de leerlingen durft een woord te zeggen. Totdat Jezus bij Petrus komt. Die reageert emotioneel en heftig. Hij weigert! Jezus’ antwoord heb ik lange tijd niet goed begrepen. Jezus zegt: als ik jou de voeten niet was, dan heb je geen deel aan Mij. Waarom moet Jezus dat nu per se doen? Ineens brak er iets bij mij. Het radicale en uniek van het christelijk geloof ligt hierin, dat God iets aan mij doet. Godsdienst verklaren wij dikwijls als: dienst aan God. Maar in de kern van de zaak ligt het precies andersom. God dient ons. Hij is ons van dienst. Zó be-heerst God ons leven. De aanstoot van het christelijk geloof ligt, denk ik, hierin, dat God niet bovenaan begint, bij die dingen die wij in onze menselijke beperktheid niet kunnen. God begint onderaan, bij datgene wat wij ook kunnen, maar – en daar zit ‘m de kneep – niet willen.

Een voorbeeld, om iets van die beweging van Godswege te proeven: anderhalve eeuw geleden ging de Belgische pater Damiaan werken tussen de melaatsen. Steeds sprak hij hen toe als u en jullie melaatsen. Op een dag was het wij melaatsen. Hij was zelf ook melaats geworden. In de weg die pater Damiaan ging, verwijst hij naar de weg van Jezus zelf, tot in het ‘nedergedaald ter helle’ toe.

Jezus maakt Zijn testament. Het is een handeling, een houding. Hij geeft Zichzelf. Dat is de inzet! Over de maaltijd zelf zwijgt Johannes. Het lijkt wel of hij wil zeggen: brood en wijn staan voor deze inzet, deze houding. Wie brood en wijn deelt, die aanvaardt de erfenis, die erkent dat hij of zij God nodig heeft, dat hij of zij zich wil láten wassen. Let wel: het zijn geen regels die Jezus hier aan Zijn discipelen oplegt. Hij wel hen slechts (?) uitdagen, stimuleren om ook deze weg te gaan. Als God (!) dit aan mij doet, als God voor mij door de knieën gaat, wie zal ik dan zijn … .

Jezus maakt Zijn testament. Aan ons de vraag, of wij dat testament willen aanvaarden, met alle voorwaarden – of beter: uitdagingen – die eraan vastzitten!

Alphendebron/010412


© 2001, KWdJ