Schriftlezing: Johannes 20: 1 – 18

Thema: Twee portretten


Samenvatting van de preek:


Als de windsels en doeken nog in het graf liggen, wat had Jezus dan aan bij Zijn opstanding? Was Hij naakt, bloot, als een pasgeboren kind? Van Zijn kleren is niets meer over. Johannes verhaalt nadrukkelijk dat zijn bovenkleed in vieren gedeeld is, en dat om zijn onderkleed-uit-een-stuk gedobbeld is. Dit is maar een van de vele vragen die bij het opstandingsevangelie te stellen zijn. Er zijn er meer. Waarom ontwikkelt het verhaal zich zo traag: eerst gaat de ene discipel voorop, dan de ander? Vervolgens lijkt het alsof ze zonder boodschap terug gaan. Van vreugde, feest is nog niets te bespeuren! En hoe komt het toch, dat Maria Jezus niet herkent? Wie vervolgens nog wat verder gaat studeren, ontdekt dat het een eigenaardig stukje proza is. Het is onrustig opgebouwd, ongedurig. Tijdwisselingen – tegenwoordige tijd, verleden tijd, helaas goeddels wegvertaald in de NBG-vertaling van 1951 – kunnen een verhaal verlevendigen, maar hier wordt het er niet mooier op. Hoewel … . Het lijkt erop, dat de evangelist door deze bijna slordige aanpak ons heel dicht bij de gebeurtenissen zelf wil brengen: het onverwachte, onzekere, ongelooflijke … . We worden als het ware dé kernvraag binnengeleid: wat is daar toch gebeurd? We stellen ons die vraag vanuit twee personages, Petrus en Maria. Het zijn portretjes, spiegeltjes. Herkennen we iets van onszelf?

Voor Petrus begint het met een verward bericht. Maria is in alle vroegte naar het graf gegaan. Het gewone, alledaagse leven heeft nog geen aanvang kunnen nemen. Voordat het zover is, wil zij bij het graf zijn. Ze ziet het graf geopend, schrikt en rent vliegensvlug naar de andere discipelen. Ze kijkt verder niet om zich heen, onderzoekt niet wat er aan de hand is. Het kan niet anders, of grafschenders, rovers hebben Zijn lichaam meegenomen!
Johannes – hij omschrijft zichzelf als de discipel die Jezus liefhad – en Petrus haasten zich naar het graf. Doel: zíen. Johannes gaat voorop. Hij bereidt als het ware de weg voor ons als lezers en hoorders. Hij werpt wel een blik in het graf, maar gaat het graf niet binnen. Intussen heeft Petrus zijn pas vertraagd. De laatste dagen komen bij hem boven, zijn grote woorden, het schril contrast met zijn daden. Het graf confronteert hem met dat gedrag, met zijn schuld: had ik nu maar …, als ik nu eens … . Dat verlamt, maakt onzeker, angstig. ‘Ik had een hele goede vriend, maar op een cruciaal moment heb ik hem in de steek gelaten …’. ‘Ooit heb ik iets tegen mijn kind gezegd, en sindsdien is het niet meer goed gekomen …’. Wat goed, dat er in zulke omstandigheden een ander mee oploopt, iemand die vooropgaat, die kijkt, die je bij de hand neemt, die je gewoon kunt volgen. Petrus gaat het graf in … . Hij ziet windsels, anders is er in een graf niet te verwachten. Maar vooral ziet hij de doek voor op het hoofd, keurig opgerold, terzijde gelegd. Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet … . Dat éne detail, dat wordt voor hem evangelie. Geen grafschenners, geen rovers. Het is als een zorgzame hand, een gast die na de logeerpartij het wasgoed opvouwt, en verder getrokken is. Petrus ziet een streep gehaald door al die gedachten met als, door alle had-ik-maars, door alle dodelijke woorden … .

Dan Maria. In dit vervolg nadrukkelijk zonder het ‘van Magdala’. Alleen Maria. In het Aramees betekent dat ‘vorstin’, in het Hebreeuws ‘zienster’. Het lijkt er niet op, dat zij iets van de discipelen heeft gehoord. Ze zal het zélf moeten zíen. Ooggetuige zijn, ooggetuige worden, dat is bij de evangelist Johannes van belang. Maar kán ze wel zien? Maria is in zichzelf gekeerd. Ze huilt, ze heeft een waas voor de ogen. Ze jammert, klaagt, heeft erg met zichzelf te doen. ‘Ze hebben míjn Heer weggenomen …; ík weet niet, waar ze Hem neer hebben gelegd’. Haar liefde, haar leven is ingestort. Alle hoop is de grond ingeboord. Eindelijk iemand van wie ze écht houden kon. Waarom moet het toch altijd weer zo gaan in het leven? Waarom blijft toch dat dodelijke geweld? Waarom lijken altijd de boze krachten het te winnen? Ze ziet, aanschouwt twee engelen, twee boodschappers, in het wit. De nauwkeurige lezer weet, dat de evangelist de combinatie van ‘aanschouwen’ en ‘wit’ al eenmaal eerder heeft gebruikt, in Johannes 4: aanschouwt de velden, die wit zijn om te oogsten. Het is tijd om te oogsten, tijd om de vruchten te plukken van wat in de aarde is gezaaid. Maria stelt haar vragen aan de engelen, maar wacht het antwoord niet af. Wat geeft het immers ook, al die woorden. Ze moet zíen. Ze draait zich om, naar buiten toe. Daar staat een man, nog één, de tuinman misschien? Maria herkent hem niet als Jezus. Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet … . Geen wonder. Maria is in zichzelf gekeerd. Haar gezicht is vol tranen. De laatste beelden van Jezus die ze voor ogen heeft gehad zijn of die van een ontluisterd, een bijna ontkleed lichaam aan het kruis, of een in windsels gehuld lijk. En bovendien: de Heer is opgestaan, maar Zijn lichaam is toch anders, van een andere orde (denk aan Zijn oproep hem niet vast te houden, denk aan Zijn vermogen door dichte deuren binnen te gaan). ‘Maria!’ Vorstin, zienster! Pas als Jezus haar naam noemt, pas dan ziet ze Hem, herkent ze Hem. Het is opvallend, dat juist Maria de engelen ziet en vervolgens zelf een engel wordt. Want zij gaat heen om te vertellen, te verkondigen wat ze gezien en gehoord heeft!

Twee portretten, twee spiegels, twee mensen die op een ander spoor worden gezet door de Levende. Twee bewegingen: ingaan, omkeren. Petrus moet zichzelf onder ogen leren zien, Petrus mag ontdekken dat hij God er niet onder krijgt, dat geen zonde, geen schuld ooit God in Zijn genade kan verslaan. Maria moet de wereld weer onder ogen leren zien, dat de wereld God er niet onder krijgt, dat de wereld Gods bevrijding nooit teniet kan doen!
Twee portretten, twee spiegels. We kunnen er vele ervaringen, vele ontmoetingen met de Levende naast plaatsen. Een lange reeks van getuigen, van ooggetuigen is gevolgd. Paulus op weg naar Damascus. Keizer Constantijn. Maarten Luther. Grote namen allemaal. Maar ook een van mijn overgrootvaders die zich 90 jaar geleden met zijn gezin liet dopen. Velen zijn gevolgd: wat anderen ook zeggen, wat er ook gebeurt, ik weet, ik vertrouw erop: Jezus lééft!

Utrechtleidscherijn/100404 (Pasen)



Print deze pagina

© 2010, KWdJ