Schriftlezing: Johannes 20: 1- 18

Tekst/thema: Jezus zei tegen haar: Maria!



Samenvatting van de preek:


In deze dienst werd in de Schriftlezing een inleving verwerkt in de hoofdpersonen: Petrus, de discipel van wie Jezus hield, en Maria van Magdala. De teksten van deze drie hoofdpersonen zijn onder de samenvatting van de preek opgenomen.

Wat maakt deze dag anders dan de dag van gisteren. U bent vanmorgen opgestaan en de woonkamer ziet er nog net zoals als toen u naar bed ging. Het kopje staat nog op dezelfde plaats op tafel. De krant ligt in de hoek. De TV staat nog op de wachtstand. Als u de TV nog even aan hebt gezet, naar Teletekst hebt gekeken, zelfs al ws er nieuws, dan is het niet echt nieuw. Alles past in het patroon, alles past in onze verwachtingen. Er is niets nieuws onder de zon. Wie gisteren intens verdrietig was, is dat waarschijnlijk vandaag nog. Een nachtje slapen maakt dat meestal niet beter, niet echt anders. Natuurlijk, je zou wel eens even stop willen zeggen, h, nu even niet meer, het is genoeg. Maar zo werkt het niet. Het leven gaat door. Je hebt het er maar mee te doen.

Zo begint de dag voor Maria van Magdala. Ze is erbij geweest op die zwarte vrijdag. Ze heeft Jezus zien lijden, aan het kruis. Het is haar door merg en been gegaan. Maar ze heeft vol gehouden, samen met een paar anderen. Zijn laatste woorden draagt ze als een kostbare schat met zich mee: Het is volbracht. Het was afgelopen, voorbij, fini. Met die beelden is ze naar huis gegaan. Zo heeft ze naar goed gebruik sabbat gehouden. Nu pakt ze het leven weer op, waar het gebleven was. Bij Zijn dood, bij Zijn graf. Maria heeft de blik op het verleden. Waar kunnen herinneringen beter gekoesterd worden dan bij een graf. Dat is haar leven.

Wie Maria op deze dag volgt, ontdekt dat ze geen contact maakt. Ze hoort, ongetwijfeld. Maar ze luistert niet. Ze zingt steeds maar weer hetzelfde treurige refrein: ze hebben mijn Heer weggenomen, weet u misschien waar ze Hem hebben neergelegd? Ze klampt zich aan die woorden vast. Ze kijkt, maar ze ziet niet. Ze gaat gebukt onder verdriet. Zelfs de engelen in het graf, zo overduidelijk in schitterend wit, ze ziet ze niet. Ze is alleen. Ze blijft huilen. Een waas van tranen omgeeft haar. Geen wonder.

Dan is daar die man, een tuinman, denkt ze. Wij denken: hoe kan dat, dat ze niet ziet, wie die tuinman is?! Maar als wij in alle vroegte in een goed aangelegde en verzorgde tuin iemand tegenkomen, wie zou dat dan anders zijn dan de tuinman of de beheerder?! Zoals we op een boerderij een boer verwachten. Bij de bakker komen we misschien niet de bakker zelf tegen, maar wel zijn personeel. Wie bij een pastorie aanbelt, zal vermoedelijk een predikant tegen komen. Wie gisteravond een boek aan de kant heeft gelegd, die zal het vandaag weer op dezelfde plek terug vinden. Bedenk: Maria beweegt zich als op de tast. Ze is blind, blind geslagen voor veel wat er om haar heen gebeurt.

MARIA! Met dat samenstel van letters, met die klank, met haar naam, komt er iets in haar omhoog. Wat is dit? Het gaat als in een flits, een moment van aarzeling . Word ik geroepen? Bedoel je mij? I, met alles wat ik met mij meedraag ? Die naam, jouw naam. Misschien ben je vernoemd, verbindt deze naam je met je jeugd, met je ouders, met je voorgeslacht. Misschien heeft jouw naam een bepaalde schrijfwijze, een wijze waarmee anderen altijd een fout maken. Misschien is deze naam wel juw naam, omdat je m op een gegeven moment zelf gekozen hebt. Mijn naam, dat ben ik. Herkenning bij Maria. Het kan niet anders, het moet wel. HIJ is het! Ze keert zich om over bekering gesproken. Rabboeni, meester! Maar ook dan nog. Als in een reflex wil ze Hem vast pakken. Zo gefixeerd is ze op wat was. Ze kan, wil niet loslaten. Maar Jezus wijst haar de weg: niet terug, niet achteruit, maar vooruit, naar wat komen gaat. Ik ga terug, naar mijn Vader, naar uw Vader, naar mijn God, naar uw God. Jezus tilt Maria boven zichzelf uit, boven haar eigen krampachtigheid, boven het persoonlijke en individuele. Het wordt: nze Vader, nze God. Jezus verlost haar uit haar eenzaamheid, Hij plaatst haar in de gemeenschap. Jezus verlost haar van het verleden dat zo pijnlijk op haar drukt.

De Opgestane Heer daagt ons vanmorgen uit om anders te kijken, anders te horen. Iemand vraagt: wat is er, hoe gaat het, wat maakt je zo verdrietig? Je denkt: ach, het is maar een gemeentelid, een moeder, een leraar, een mevrouw in de groentewinkel . Je begint je verhaal . Maar als je goed luistert, dan hoor je door dat gesprek heen jouw naam: je voelt je gekend, verlost, bevrijd, voor even misschien, maar toch. Wie dat mee maakt, die zegt: deze dag is anders dan de dag van gisteren. Die gaat net als Maria van Magdala naar zijn geloofsgenoten toe en vertelt: ik heb de Opgestane ontmoet. Of beter misschien: de Opgestane heeft mij ontmoet.

De Heer heeft mij gezien en onverwacht / ben ik opnieuw geboren.

+ - + - +


Petrus
Mijn naam is Petrus. Dat is een erenaam, een naam die de Heer mij zelf gegeven heeft. Want eigenlijk heet ik Simon. Maar noem me nu maar weer Simon. Want die erenaam verdien ik niet meer.
Ik was altijd een van de eersten. In de lijst van discipelen stond mijn naam altijd bovenaan. Toen Jezus mij tijdens het vissen riep, ben ik zonder aarzelen achter Hem aangegaan. Toen wist ik al dat Hij mij alles kon geven wat ik nodig heb. Voor Hem wilde ik alles doen, al kostte het me mijn leven .
Maar ik heb gefaald, jammerlijk gefaald. Ik kan er nog niet bij. Hoe kon dat nu toch gebeuren?! Ik stond vooraan toen Hij een paar broden en enkele vissen nam, en die verdeelde onder duizenden mensen. Toen iedereen teleurgesteld van Hem wegliep, wilde ik blijven: Naar wie zouden we anders toegaan? Ik was verontwaardigd, toen Hij mij een paar dagen geleden bij de Paschamaaltijd de voeten wilde wassen. Dat nooit! Ik moet Hem de voeten wassen, niet Hij mij!
Maar ik heb hem in de steek gelaten. Meer dan dat: ik heb ontkend dat ik Hem kende. En dat niet n keer, maar drie keer! Ik voel me schuldig, ontzettend schuldig . Ik was altijd zo zeker van mezelf, maar nu .
Nu komt daar Maria van Magdala. Ik heb haar altijd al een beetje vreemd gevonden, zo overdreven. Nu zegt zij dat het lichaam van Jezus uit het graf is weggenomen. Ik weet niet, wat ik daarvan denken moet. Het liefst zou ik alles nu maar achter me laten. Het is allemaal n groot fiasco. Maar die ander, dat lievelingetje van Jezus, die zegt dat ik met hem mee moet, mee naar het graf.

+ - + - +


De discipel van wie Jezus hield
Mijn naam? Je vraagt me naar mijn naam? Die noem ik liever niet. Dat is beter zo. Als je dan toch iets wilt opschrijven, noem me dan maar de discipel van wie Jezus hield. Dat is een hele mond vol, toegegeven, maar ik heb geen betere oplossing. Trouwens, als je goed oplet, dan weet je wel wie ik ben, hoe ik heet.
Je wilt weten, hoe ik me voel op deze morgen? Dat hoef ik je toch niet te vertellen. Daar kun je je zelf toch wel een voorstelling van maken?! Hij en ik, we waren innig met elkaar verbonden, van jongs af aan. We waren onafscheidelijk. Maar nu is hij dood.
Sommigen van de discipelen dachten dat Hij mij meer vertelde dan hen. Maar dat was niet zo. Hij trok mij niet voor. Behalve dat ene moment misschien, bij het kruis. Dat zal ik nooit vergeten. Hij hing daar aan het kruis, Hij had het zwaar, Hij kon niet meer. Ik stond daar samen met zijn moeder, met Maria. Hij zei: Vrouw, zie uw zoon. En tot mij zei hij: Zie, uw moeder. Dat Hij toen, op dt moment, nog zo aan ons dacht , dat zal ik nooit vergeten! Wat een zorg! Wat een liefde!
Daarom , ik kn het niet accepteren dat Hij dood zou zijn. Ik kan het niet geloven. Hij heeft gesproken over eeuwig leven, over God als Zijn Vader. Nu komt Maria van Magdala met het bericht dat Hij niet meer in zijn graf ligt. Wat is hier aan de hand? Dit heeft meer te betekenen. Ik moet naar dat graf toe, ik moet het met eigen ogen zien.

+ - + - +


Maria van Magdala
Ik heet Maria van Magdala. Mensen kijken mij bij die naam altijd wat vreemd aan. Ze verwarren mij altijd met Maria, de moeder van Jezus. Maar er is meer. Ze kijken alsof ik dingen doe die het daglicht niet kunnen verdragen. Maar het is gewoon Maria van Magdala, uit dat dorpje bij het Meer van Galilea. Maar doet dat er allemaal nu wat toe?
Ik was erbij, toen Jezus aan het kruis hing. Ik heb Hem zien sterven! Dat beeld zal me nooit loslaten. Ik hield zoveel van Hem, meer dan van welke man dan ook. Ik wilde Hem niet loslaten, ik kon het niet. Maar Hij ging, Hij ging gewoon, zonder dat ik ook maar iets voor Hem kon doen.
Ik wilde naar Hem toe, naar Zijn graf tenminste. Ik weet niet goed, wat ik daar moest doen. Maar ik had het gevoel, dat ik daar dichter bij Hem zou zijn. Toen ik aankwam, zag ik dat de steen was weggerold. Ik schrok, ik schrok zo verschrikkelijk . Ook dat nog! Alsof het allemaal nog niet genoeg was, Zijn lichaam ook nog weg. Ik ben terug gegaan naar de andere discipelen, ik heb hen verteld, wat ik gezien had .
Nu sta ik zelf ook weer bij het graf, het lege graf. Waar is Hij toch? Waar is Zijn lichaam? Ik zou het zo graag nog n keer willen aanraken, n keer, dat is genoeg.
Ik ben mijn emoties niet meer de baas. Na die donkere avond heb ik niet anders gedaan dan huilen. Nog steeds. Ik weet het niet. Ik ben moe, doodmoe. Het is allemaal zo vreemd, zo onwerkelijk. Dat ik Hem nooit meer zal zien, nooit meer Zijn stem zal horen. Dat ik nooit meer de kracht zal voelen die alleen al van Zijn aanwezigheid uitging. Nooit meer.

Alphendebron/080323




De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (2.2 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

2008, KWdJ