Schriftlezing: bloemlezing Exodus 13-14-15; Johannes 20: 11 – 18

Tekst/thema: ‘Een beslissende doorbraak’



Samenvatting van de preek:

De meesten van ons hebben een agenda, een handzaam boekje met alle dingen die gedaan moeten worden. Ik trek mijn plan. Ik weet wat ik doen moet. Ik weet wat van mij verwacht wordt. Met een agenda kijken we meestal vooruit. Omkijken heeft doorgaans weinig zin. De agenda is dan hooguit nog een geheugensteuntje voor wat geweest is.
De agenda is mijn leven. Ik heb het letterlijk en figuurlijk in de hand. Denk ik. Totdat ik ziek wordt. Totdat iemand van wie ik houd overlijd. Totdat ik ontslagen word. Totdat mijn kind verdwaalt, aan de drugs raakt … . Op zo’n moment verbleken alle aantekeningen in mijn agenda. Alle overzicht, houvast, verdwijnt. Dan kan, dan wil ik niets meer plannen. Vroegere vergezichten verliegen. Mijn horizon reikt niet verder meer dan de dag van vandaag, dan dit moment. Misschien dat ik dan nog eens mijn agenda begin door te bladeren, toen ik alles nog in de hand had, dacht te hebben … . Wat altijd vanzelfsprekend was, begint vragen op te roepen. Heb ik het wel goed gedaan? Had ik niet meer kunnen zeggen? Had ik het kunnen voorkomen. Sombere buien drijven over, buien vol schuldgevoelens, angsten … . Het verleden krijgt me in zijn greep. Het wordt donker, koud, doods … .

Het begint te schemeren als Mirjam in de verte de stofwolken ziet opdoemen, teken van de grote legers van de farao. Ze is oud geworden in Egypte. Ze ziet de mensen om haar heen, de meesten kent ze. Mannen, vrouwen, kinderen, complete families, ze heeft ze zien komen, ze heeft ze zien groeien. Mirjam is niet de enige die in de verte de aanstormende legers ziet opdoemen. Ook anderen. Het gaat als een golf door de mensenmassa’s heen. Allerlei herinneringen en gevoelens komen boven. Het harde werk, daar in Egypte, steeds harder, de nachtmerries, de angstdromen, de uitzichtloosheid. Maar ook van Mozes, de strijd met farao, de kracht van God die zich keer op keer manifesteerde. Sommigen verlammen alleen al bij die gedachten, verwijlen bij de donkere momenten. Anderen worden geactiveerd, al is het inmiddels pikkedonker geworden. Ze kijken druk om zich heen. Achter zich: de legers van farao. Naar links: een rotswand. Naar rechts: een rots. Naar voren: het water van de Rietzee. Ze kunnen geen kant op. In een flits gaat het door hen heen: ze zitten gevangen. Ook in Egypte waren ze gevangenen, slaven, maar er was in ieder geval nog één zekerheid: morgen is er weer een dag. Maar hier en nu: ze weten niet, wat hen te wachten staat. Onrust, paniek, boosheid. ‘Had ons in Egypte gelaten! Hebben we niet gezegd: laat ons met rust, wij redden ons wel!’ De verwijten aan Mozes stapelen zich op, de verwarring groeit. Maar net nu, juist nu zullen ze het moeten hebben van geloof, van vertrouwen, van God … . Mozes kan niet anders zeggen: jullie kunnen zelf niets doen, wacht af … .
Dan ineens, dan eert het tij. De lichtkolom plaatst zich achter het volk. Dat alleen al is een enorme verandering. Ze kunnen door het felle licht de legers van de farao niet meer zien. Het verleden verdwijnt. Als Mozes vervolgens zijn staf opheft, dan doet God een sterke wind opsteken, dan vloeit het water weg. De weg vooruit ligt open. Ze kunnen verder. Mirjam ziet de mensen vooraan nog aarzelen. Zullen ze … . Maar dan gaat de eerste, hij kan het nog maar amper geloven, opgewonden probeert hij de eerste stappen te zetten in de natte modder. Maar het gaat, het lukt. Dan komt de stoet op gang, een lange, lange rij van mensen, dieren, van al wat is meegenomen. Het gaat steeds sneller, haastiger, het is dringen. Totdat uiteindelijk de laatste, de traagste ook aan de overkant is. In de verte hoort Mirjam de kregen van de soldaten van farao. Ze zullen toch niet … . Het kwaad uit het nabije verleden komt weer boven … . Maar het water begint terug te vloeien, de wielen van hun wagens beginnen vast te lopen. Zij gaan ten onder. De zon gaat op. Als Mirjam ziet, wat er gebeurt, wat er gebeurd is, dan pakt ze haar tamboerijn, dan begint ze te zingen: ‘Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven …’. Niet gevangen, maar vrij! Een beslissende doorbraak!

Het schemert nog, als een andere Mirjam, als Maria (het gaat in feite om dezelfde naam), in de graftuin staat. Zij wás vol verwachting. Het leven lág voor haar open. Ze had hoop gekregen. Ze wist niet eens precies hoe, maar ze wist zeker dat het met Jezus te maken had. Hij had haar hoop gegeven. Maar nu, na Zijn onverwachte en gruwelijke dood aan het kruis, waren de muren op haar af gekomen. Ze kan geen kant op. Naar links of rechts kijkt ze niet. Ze kan slechts omzien. Naar het moment dat ze zich vrij had gevoeld, vrij van de veroordelende blikken van haar familie, van het zwijgen van de mensen om haar heen. Ze kan slechts omzien naar die vreselijke laatste uren van Zijn leven. Ze zoekt een dode, ze zoekt het lichaam van haar Heer. Dat is haar enige houvast, het verleden. De weg vooruit is afgesloten, ze ziet niets, alleen het water van haar tranen. Ze kán er niet doorheen kijken. Het is haar onmogelijk te zien, wat daar nog achter zou kunnen liggen. Ze verbaast zich niet over de twee engelen in het graf. Ze verbaast zich niet over de tuinman en over zijn vragen. Ze doorziet het niet. Ze komt niet verder. Ze kijkt hem niet eens aan. Totdat haar naam klinkt: Mirjam, Maria, geliefde … . Dán draait ze zich om. Dán kijkt ze Hem aan. Dan ziet, doorziet ze, dwars door haar tranen heen. Rabboeni, Heer, Meester … . Een beslissende doorbraak!

Daar staan wij, met onze agenda’s, op deze Paasmorgen, hier in ‘de Bron’, met onze agenda’s in de hand. Het kan zijn dat voor ons gevoel allerlei deuren gesloten zijn. Potdicht. We zijn gevangenen van de situatie. Wat te denken van de verhouding tussen de Westerse wereld en de Islam. Wat te verwachten bij alle economische veranderingen, de opkomst van het Verre Oosten, Azië. Maar het kan ook op een heel persoonlijk niveau liggen: een verstikkend gevoel van alleen zijn, van een ander niet kunnen bereiken, van die dreigende gang naar de dokter, dat mogelijke ontslag, dat kind … . Het verleden dat begint op te spelen, met alle twijfels die daar bij horen. De dood, de strenge en bittere dood.
Vanmorgen klinkt dan die bekende zin die de eeuwen door geklonken heeft: de Heer is opgestaan, waarlijk opgestaan. Alle deuren worden open gegooid. Er begint een wind te waaien, een frisse wind. We zingen ervan, in alle toonaarden. Er open zich een vergezicht, een horizon wordt zichtbaar, het licht van een nieuwe morgen wordt over ons uitgestort. Een beslissende doorbraak! U, jij, je wordt uitgenodigd om zich te voegen in de lange rij van hen die ons zijn voorgegaan, door het water heen, opnieuw geboren! Laat het verleden, met alles wat daarin goed en slecht was, achter je. Durft het aan, met Hem, de Levende die ons al iets van Gods heerlijk Koninkrijk heeft laten zien.

Alphendebron/060416



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (3.1 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2006, KWdJ