Schriftlezing: Johannes 3: 22 – 36

Thema: ‘Of het moet hem uit de hemel gegeven zijn.’

Wij lezen en horen vanmorgen dat Jezus doopt (de enige plaats in de Bijbel dat we daarvan kennis kunnen nemen). Vlak daarna lezen en horen we dat Johannes doopt, maar bij hem staat er bij: op een plaats waar veel water was. Bij Jezus daarentegen geen woord over water. Het lijkt er zelfs op dat Hij geen water nodig heeft. Blijkbaar heeft Johannes water, veel water nodig. Ook bij een eerdere kennismaking in het evangelie naar Johannes horen we met nadruk dat hij bij de Jordaan doopt, dat hij met water doopt.
Johannes werkt vanuit de traditie van Wet en Profeten. Hij roept op tot bekering, tot verandering, tot een nieuw, God gewijd leven. Als teken van die concrete ommekeer doopt hij. Dat is op zich niet nieuw. De Joden kenden de mikwa, het rituele bad, de rituele reiniging. Al het oude, het verleden wordt afgewassen. Dat moet steeds opnieuw. Vandaar dat vele water. Een tijdje gaat het goed, met goede voornemens, goede wil …, maar dan … .
In de afgelopen week werden de resultaten bekend gemaakt van de enquête in de Tweede Kamer naar de bouwfraudes. Van alles kwam er boven tafel. Van alles was er niet goed gegaan. De een had een steek laten vallen, een ander had tegen voorschriften in gehandeld, een volgende was als minister wat al te close met aannemers omgegaan, voeg daarbij gemakzucht, belangenverstrengeling, een minister die de Kamer niet informeert … . Bekeert u! Het moet anders. Nieuwe zakelijkheid. Het Koninkrijk komt! Een minister doet boete, treedt af. Anderen sputteren, zijn zich van geen kwaad bewust, weer een ander relativeert. Maar al die commotie, al die veranderingen, het is zo beperkt, zo voorlopig. Veel water. Maar volgende maand, volgend jaar is er weer iets anders. Over zoveel jaar blijkt dat al die maatregelen, al die vernieuwing, verandering, wel geholpen heeft, maar er zijn weer tal van andere problemen ontstaan. Het heeft iets van een ritueel. Wie vraagt zich niet af: zal het ooit anders worden? Moeten we struikelen, vallen, steeds weer?!

Gelukkig heeft Johannes meer te vertellen. Het is bij hem méér dan bekering, méér dan boete, méér dan een nieuwe levenswijze. Johannes verwijst naar Jezus, naar Zijn doop: ‘Ik doop met water, maar Hij doopt met de Geest’. Johannes doopt tot reiniging. Jezus doopt tot bezieling. Die doop van Johannes is nodig. We kunnen niet zonder. Het is als zwaartekracht. Knap lastig soms, maar nodig. De zwaartekracht houdt ons op de aarde, bepaalt ons bij de realiteit. Maar uiteindelijk leggen we het af tegen de zwaartekrant, gaan we dood, worden we aan de aarde die ons vasthoudt toevertrouwd. We hebben de doop van Jezus, de doop met de Geest nodig om van de aarde los te komen, om licht te worden, om te geloven dat het anders kan. Johannes werkt vanuit de traditie, vanuit het verleden, vanuit de voldongen feiten, maar hij verlangt naar de toekomst. Jezus werkt vanuit de toekomst, het Koninkrijk Gods. Wij hebben daar uit onszelf geen greep op. Vanuit die toekomst strekt Jezus Zijn hand naar de traditie (naar ons) uit. Sterker nog: dáár wil Hij beginnen, bij en met ons, dáár laat Hij zich dopen. Maar het is nog maar een begin. Johannes zou zeggen: vuil, ziekte, al dat onreine, het is besmettelijk. Daarom moeten wij gereinigd worden, steeds weer. Jezus keert het om. Hij kán het omkeren. Niet het vuile is besmettelijk. Het goede is besmettelijk, het schone, het pure. Dat gaat tegen al onze ervaring in. Wie met een schoon doekje in huis aan de slag gaat, die merkt hoe krachtig het vuil is, het doekje wordt er vies van. Als Jezus een melaatse aanraakte, dan was het volgens de traditie zo, dat Hij zelf daardoor onrein zou worden. Het wonder is echter, dat de melaatse gereinigd werd door Zijn reinheid. Deze wereld omgekeerd! Dat is het Koninkrijk Gods dat wij te verwachten hebben: niet de oude missers, niet het verleden, niet de zonde bepaalt ons leven, maar de toekomst.

Als wij vanmorgen naast Johannes gaan staan, dan moeten we toegeven: uit onszelf, vanuit ons verleden, vanuit alle kennis die we vergaard hebben, kunnen we het niet. We hebben het Woord nodig van de andere kant, van Gods kant. Lang geleden was ik eens op bezoek bij iemand die overladen was met problemen, conflicten op het werk, moeilijkheden in de relatiesfeer. Na afloop van het gesprek zei die: fijn, dat u geweest bent; zo nu en dan heb ik het nodig dat een ander tegen mij zegt ‘het komt goed’. Daarom benadrukt Johannes vanmorgen voor ons: ‘Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn.’ (vs 27, vgl. 31, 32) Tegenspraak. Zo komt de Heer ons tegemoet.

Alphendebron/021215




Print deze pagina

© 2002, KWdJ