Schriftlezing: Johannes 4: 4 – 30

Thema: ‘Mij dorst’ (kruiswoord van Jezus; Johannes 19: 28)

Als Jezus u een vraag zou stellen, wat zou Hij u dan vragen? Sommigen reageren dan met wedervragen. Waarom zou Hij uitgerekend mij iets vragen? Ziet Hij mij wel staan? Anderen denken in de richting van verantwoording en rekenschap. Als Jezus iets zou vragen, dan komen we al snel in de sfeer terecht van het oordeel. Hoe anders klinkt de opening die Jezus maakt in Johannes 4: ‘Geef Mij te drinken’. Dat is geen terechtwijzing, geen oordeel, maar een heel gewone vraag. De rollen lijken veeleer omgedraaid. Jezus stelt zich kwetsbaar, afhankelijk op.

Voor we verder gaan: hoe is dat zo gekomen? Jezus móest door Samaria gaan. In Jeruzalem is zijn aanhang in hoog tempo gegroeid. De temperatuur stijgt er, het is Hem te warm onder de voeten geworden. Jezus trekt noordwaarts. Hij móest door Samaria gaan. Vreemd. Dat móest helemaal niet. Gelovige, vrome Joden namen en omweg. Samaria was onrein, onzuiver. Onder de Samaritanen werden de vijf boeken van Mozes erkend en gebruikt, maar vermengd met afgodendiensten. Maar Jezus móest … . We proeven de spanning die daarmee opgeroepen wordt. Jezus overschrijdt grenzen. Dat komt ons niet onbekend voor. Dat is Hem eigen.
Enkele woorden blijven vervolgens hangen: Samaria, Jakob, Jozef, een bron. Maar juist met deze namen erbij weet de hoorder: die bron van verkwikking is een bron verschrikking geworden. Ooit zijn er gruwelijke moorden gepleegd door de zonen van Jakob, omdat hun zus Dina geschaakt (volgens hen: verkracht) was. Een bron van verkwikking, een bron van lévend water … ? Het gaat hier om de erfenis, het beheer van de erfenis: wie is de goed erfgenaam, wie mag zich kind van God, zoon van God noemen? Wie heeft het water van de lévende God te bieden?

Jezus verkeert alleen bij de bron, Hij is vermoeid, kon niet meer. Het is midden op de dag, het 6e uur, 12.00 uur: mid-dag. Normaal is een bron een plek van ontmoeting, van nieuws, van de waan van de dag. Nu niet. Het is er stil. Op dat onwaarschijnlijke moment komt een vrouw om water te putten. Met nadruk wordt hier en in het vervolg van haar gezegd: een Samaritaanse. Haar vraagt Jezus: geef Mij te drinken.
Het gesprek dat volgt heeft twee niveaus, twee manieren van verstaan. Het eerste niveau ligt op het menselijk vlak. De vrouw grijpt haar kansen en zet stevig, beschuldigend in: hoe durft een Joodse man iets te vragen aan een Samaritaanse vrouw, dat is dubbel onmogelijk. Jezus geeft in Zijn antwoord een aanzet tot een ander verstaan van Zijn vraag: ‘Als u wist, wie het was die dit vraagt … , geen dorst meer … , eeuwig leven.’ Geen dorst meer: daar heeft de vrouw wel orden naar. Dan hoeft zij niet meer op dit ongelukkige tijdstip heimelijk naar de bron te komen. Bij ons, op afstand, rijst de vraag waarom zij eigenlijk zo midden op de dag naar de bron komt. Jezus ontfutselt haar het antwoord: haal uw man. Ik heb geen man, zo zegt ze. En Jezus geeft haar gelijk: ze heeft er vijf gehad en die ze nu heeft is in feite haar man niet. En zo loopt het gesprek verder. Het is niet zo vreemd, dat de vrouw lange tijd zo aards blijft, zo dicht bij het praktisch nut. Praten over hoge idealen is natuurlijk prima, maar de vraag mag altijd weer gesteld worden, wat je ermee doet. Langzaam echter laat de vrouw zich meenemen in het gesprek: Jezus begint met haar en zij eindigt met de Christus.
Het tweede niveau van dit verhaal heeft te maken met het goddelijke, het hemelse. De vrouw spreekt over de bron die een ‘gegeven’ is. Jezus heeft het over een ‘gave Gods’ en over het lévend water dat Hij geven wil. Waar gaat het nu om, in het geloof, in heel het leven: om het gegevene, om de traditie, om de vastgestelde regels, of om de ontmoeting met de levende God? Rentenieren we, levend vanuit het verleden, of leven we vanuit de toekomst, investeren we? Is een voor een christen armoede een gegeven, of de gedachte dat ieder voor zichzelf kiest, of het eindeloze conflict tussen Joden en Palestijnen, de dood als onontkoombaar … . Of leeft een christen vanuit de gave Gods, de levende omgang met Hem? Het is in dit verband ook opmerkelijk dat Jezus spreekt over een bron (NBG-vertaling ook: fontein), in het Midden-Oosten altijd verbonden met stromend, fris, gezond, helder water: dát is levengevend. De vrouw heeft het over de put. Ook daar is water te vinden, alleen staat het stil, is het sneller onderhevig aan bederf, behoeft het verversing. Ook de achtergrond van de vrouw, haar vele mannen, heeft een dubbele laag. In de periode van de ballingschap was een belangrijk deel van de bevolking weggevoerd. Anderen met andere gewoonten en godsdiensten waren er voor in de plaats gekomen. Verdeel en heers! Nu wordt wel gezegd, dat er vijf bevolkingsgroepen van buiten kwamen, elk dus met hun eigen godsdienst. Die vijf en hun vijf godsdiensten versmolten met het oorspronkelijk geloofsgoed en vormden een nieuwe cultus. De vrouw staat voor heel het volk, voor heel de gemeente. De vrouw is de bruid. Wie is haar bruidegom? Met wie is zij getrouwd? Wie wil zij trouw zijn? Wie is haar trouw? Daar gaat het dus om in het vervolg van haar gesprek met Jezus. De man, het geloof dat ze nu aanhangt, die is ook de ware niet. Alleen langs dit opstapje kan Jezus haar zeggen, dat het heil uit de Joden is. Alleen zo kan Jezus haar zeggen dat het ware aanbidden niet aan een plaats gebonden is. Alleen zo kan zij, nog heel voorzichtig trouwens, uitspreken wat zij weet: van een Messias, een Christus die komen zal en alles verkondigen. Dat is voor Jezus het moment om zich te openbaren: Ik ben, die met u spreekt. Ik ben: dat is de taal die zij verstond, de taal van Gods openbaring aan Mozes. Ontroerend!

De evangelist Johannes is een meesterverteller, maar hij vraagt heel wat van ons uithoudingsvermogen. Misschien is het tot besluit goed te vragen, waar u zelf in dit verhaal staat. Op de plaats van de discipelen misschien? U komt terug, ziet wat er gebeurd is, zou van alles willen vragen, maar houdt uw mond. Bent u bereid te leren van hetgeen u hier aantreft, van de wijze waarop Jezus met deze vrouw omgaat? Of ziet u meer in de vrouw in haar beginsituatie. U voelt zich aan de kant staan, aan de kant gezet mogelijk. Wat eens een bron van levend water was, is een put geworden met stilstaand water. Het leven heeft aan kracht, aan dynamiek, aan vreugde ingeboet. Hoe zou u reageren als Jezus u zo gewoon en alledaags aanspreekt: geef Mij te drinken?! Of voelt u zich meer aangesproken door de vrouw die door Jezus bevrijd is van haar beperkingen, zoudt u er wel van willen vertellen aan iedereen. Bedenkt u dan wel, dat het niet zonder pijn gegaan is? Hij heeft mij alles verteld, wat ik gedaan heb … . Dat vraagt om zelfinzicht, om erkenning van het eigen verleden … . De vrouw is zelf een bron van levend water geworden, net als Jezus heeft gezegd. Maar Hij kon dat niet anders dan langs de weg van het kruis, van de zelfontlediging. Uitgerekend Hijzelf heeft aan het kruis gezegd: ‘Mij dorst’, midden op de dag, ergens tussen het 6e en 9e uur. Jezus de bron van het levende water, Hij is er Zélf aan onder door gegaan. Alleen zó kon Hij er bovenop komen. Alleen zo kan Hij óns er boven op helpen. Een gave Gods!

Willem Barnard schreef naar aanleiding van Johannes 4 het volgende gedicht (Stille omgang, 156):

Dit, Heer, is het gebed voor alle dorst.
Wees met Uw Kerk die met Uw water morst.
Wees met de vele dichtgeschroeide kelen
en met de monden die niet kunnen velen,
dat Gij U uitput in hun lafenis.
Graaf in ons hart zo diep te graven is,
tot Gij stuit op Uw leven en Uw dood
en leg de stromen van Uw oorsprong bloot,
opdat wij leren leven en verstaan
dat Gij met ons tot een begin wilt gaan.


KWdJ/020303




Print deze pagina

© 2002, KWdJ