Schriftlezing: Johannes 6: 1 – 15

Tekst: ‘Daar Jezus bemerkte dat zij komen zouden en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij zich weer terug in het gebergte, geheel alleen.’ (vers 15)

Elke maandagmiddag bereiden we als collega’s de dienst van de aanstaande zondag voor. Dat was dus zuchten afgelopen maandag. Opnieuw een verhaal over een wonderbare spijziging. Dat was in het afgelopen jaar al meer dan eens aan de orde. Natuurlijk elke keer is het weer net even anders. Dit keer is het de versie van Johannes. Johannes is meestal net even mystieker, elk verhaal heeft meerdere verdiepingen. Op het eerste gehoor zouden we wellicht iets zeggen als: het brood moet gedeeld worden, ofwel: delen is vermenigvuldigen. Want inderdaad, er is brood in overvloed, twaalf manden vol, genoeg over voor elk van de twaalf stammen van Israël. Die overvloed op zich is bijzonder. In de bijbel. Johannes meldt bijna terloops, dat het bijna Pascha is. Met andere woorden: de voorraad gezuurde broden is vrijwel op. Het is wachten op de eerste nieuwe oogst. Maar niet alleen in de bijbel is de overvloed bijzonder. Ook in onze wereld is zo’n overvloed iets aparts. Nog steeds lijden immers velen honger. Maar het is de vraag, of Johannes in dat probleem een weg wil wijzen, ons iets wil laten doen … ?!

Vandaag wil ik me concentreren op het effect dat Jezus’ actie heeft en waarover Johannes als enige schrijft. De mensen willen Hem op de schouders nemen en Hem koning maken. Waarom? Alleen om het brood dat daar tevoorschijn komt? Alleen dat zou het enthousiasme al kunnen verklaren. Maar er is meer dat die de broodvermenigvuldiging tot iets bijzonders maakt! We horen, dat er geen brood is, niet meer dan een schamel beetje. Bij vijf broden houdt het op. In de verre omtrek is ook geen brood te verkrijgen. De omgeving heeft woestijnachtige trekken. De mensen zien in Jezus een nieuwe Mozes, die het brood uitdeelt als was het manna. Jezus wordt voor hen de lang verwachte profeet. Deze sfeer van verwondering en vreugde hoort bij het manna zelf. Manna betekent namelijk ‘wat is dat?’ Het is eigenlijk de basisvraag die bij al ons voedsel hoort: wat is dat, waar komt dat vandaan, waar hebben wij dat aan te danken? Dat besef lijkt in de huidige voedselindustrie ver te zoeken. Wie denkt er bij het zakje chips in de winkel nog aan de aardappelen waarvan ze gemaakt zijn? Wie proeft in die chips iets van het poot- en groeiproces? Het oude Israël had een reeks van spijswetten, waarin iets doorklinkt van de eerbied voor het leven. In veel Rooms-Katholieke gezinnen kraste de moeder des huizes een kruisteken in het brood. Natuurlijk ging dat vaak automatisch, maar het was tegelijk een moment om even stil te staan bij de vraag aan wie dat brood te danken was. De sfeer van verwondering en dankbaarheid tekent de evangelist Johannes op in de woorden van Andreas, als die zich afvraagt: ‘wat betekent dit – die paar broden en vissen – voor zovelen?’ Het is alsof de ouder vraag van het manna wordt herhaald. Wat hier gebeurt verwijst naar God, het is een teken. Jezus verwijst in het teken van de broodvermenigvuldiging als een profeet naar God en Gods wil. Van ons wordt niet meer gevraagd dan te geloven en te vertrouwen.

Maar wat wil het volk? Willen wij geloven? Willen wij vertrouwen? Willen wij onze ogen en oren openen voor God, consequenties trekken uit ons geloof? Het volk, wij willen een koning, een die heerst, regelt, ruzies beslecht, rechtspreekt waar wij het er bij laten zitten, een die ons zo nodig beschermt. Natuurlijk, als die koning er eenmaal is, dan mopperen we weer. Dan zeuren we over de bureaucratie, over de fouten, misstanden, de hoeveelheid geld die het allemaal kost, enzovoort. Ook dit doet denken aan het Oude Testament. Het volk heeft een profeet, Samuël, maar het volk wil daarmee geen genoegen nemen. Het wil een koning, iets tastbaars, een symbool van macht. Natuurlijk kost dat wat, aan belasting en kinderen die de koning moeten dienen, maar dat mag geen probleem zijn. Als het volk maar een koning heeft. Maar zo wil Jezus geen koning zijn. Hij is er niet voor om al onze problemen op te lossen, zodat wij het er makkelijk van kunnen nemen. Het koningschap van Jezus ligt elders. Dat ligt in de weg van zijn lijden, aan het kruis. Hij geeft álles, Hij geeft Zichzelf, alleen om ons op God te wijzen, ons naar God toe te trekken.

De vraag die uit Johannes 6 opkomt is heel basaal de vraag naar ons geloof. Gelooft u? Durft u zich aan God toe te vertrouwen, durft u zich door Jezus’ overgave aanvaard te weten bij God? Is Hij voor u het brood dat uit de hemel aan ons wordt aangereikt, dat kracht geeft en voedt?

Valt er dan nog iets te doen? Misschien toch wel. In het teken van de broodvermenigvuldiging wijst Jezus op God. Ook wij kunnen tekenen doen, die naar God wijzen. Gelukkig gebeurt er wat dat betreft het nodige in onze gemeente, juist ook aan eigentijdse tekenen. Er is het Noodfonds, het inloopcentrum Oase, er zijn de activiteiten voor het Asielzoekerscentrum, de maaltijdavonden van ZWO. Het is onze opdracht om te blijven zoeken, luisteren, tasten. Of we niet ergens nog zo’n jongetje vinden met een paar broden en enkele visjes. Misschien kunnen wij met dat weinige iets doen voor velen … . Opdat die velen zullen geloven … .

Alphendebron/010325mo


© 2001, KWdJ