Schriftlezing: Jona 1 en Jona 2: 1 en 11

Tekst/thema: ‘Opnieuw geboren’



Samenvatting van de preek:

Deze preek is gehouden in een doopdienst.

Wat moet je? Wat kun je? De wereld is groot. Jij bent klein. Er zijn talloze mensen, miljarden. Jij bent op je eentje. Wat zul je? De wereld is groot, jij bent klein. Er zijn talloze volkeren. Jij behoort tot een klein volk, aan de rand van de zee. Wat moet je? Wat kun je? Wat is jouw plaats? Je denkt: wat zal ik? Ik zoek mezelf, ik zoek de veiligheid van mijn gezin, van mijn familie. Dat moet genoeg zijn. Je fladdert wat rond. Je hebt geen richting. Een beetje van dit, een beetje van dat. Geen rust.
Je kent de verhalen van weleer. Het zijn grote verhalen, grote woorden: schepping, God, een land dat beloofd is, een Messias. Je bent niet onwelwillend. Je weet: het zijn ook jóuw verhalen, jóuw woorden. Maar je vindt dat een ander er niets mee te maken heeft. Het is privé.
Wat moet je? Als mensen om je heen steeds minder geloven, zich op zichzelf terugtrekken. Als je moet toegeven dat jouw kleine landje toch niet zo’n grote rol speelt. Dat wás anders, maar nu … ?! Wat moet je? Als de moskee een prominentere plek heeft gekregen dan de oude dorpskerk. Als vertrouwde politiek plaats maakt voor nieuwe, maar niets echt verandert. Schuivende panelen. Wij zijn veilig in onze kerk, bijna onzichtbaar in de schaduw van een winkelcentrum. Moet je wel iets?!

‘Het woord van de Heer geschiedde tot Jona, de zoon van Amittai’. Het woord geschiedde, kwam. Het klinkt. Het wekt, het wekt óp. Tot Jona - duif betekent zijn naam - tot Jona, die leeft als een fladderende duif, als een onrustig vogeltje. Het is er ineens, dat woord. Het is niet te verklaren. Het geschiedt eenvoudigweg. Is dat vreemd? Blijkbaar niet. Het geschiedt tot Jona, de zoon van Amittai. Ofwel: het geschiedt tot de zoon van ‘mijn trouw’, tot de zoon van ‘Gods trouw’. In een paar woorden is veel gezegd. Het gaat om een wispelturig mens en een trouwe God (of omgekeerd: om een trouwe God en een wispelturig mens – het is maar hoe je het bekijkt).
Jona krijgt een taak, een opdracht: sta op, ga naar Ninevé, klaag haar aan, want het kwaad in die stad is ten hemel schreiend. Blijkbaar is dat voldoende, dat Jona gaat aanklagen. Maar Jona vlucht, wčg van de Heer, weg van deze taak. God, het woord, het komt hem allemaal te na. Onwil, maar dat niet alleen, ongetwijfeld ook schrik. Misschien ook wel onzekerheid: heb ik het wel goed begrepen, wat moet ik doen? Kan ik dit wel? Jona gaat niet naar het Oosten, zoals hem wat opgedragen, maar naar het Westen, naar Tarsis (mogelijk gelegen in het hedendaagse Spanje), een reis van een jaar, precies het maximum voor een Jood om de aanspraken op het land niet te verliezen.

Jona daalt af. Letterlijk! Jona daalt af naar Jaffo, Jona daalt af in het schip. Afdalen doet een mens in het graf. Het is een woord uit de sfeer van de dood. ‘Zegen en vloek houd ik u voor, leven en dood, kies dan … ‘. Jona kiest de dood. Al dénkt hij zo het leven te behouden. Hij valt in slaap, in een doodsslaap, in het diepst van het schip, juist op het moment dat het schip door een storm ten onder dreigt te gaan!
Jona wordt geroepen. Uit het veilige, afgeschermde hoekje dat hij in de wereld heeft, naar de bonte, verwarrende wereld, naar de stad Ninivé. Maar hij lijkt het niet te kunnen ontlopen, Ninevé niet, de wereld niet. Als de storm opsteekt, bidt ieder tot zijn eigen god. Op het schip zijn de volkeren van de wereld volop aanwezig, elk met zijn eigen god. Terwijl het stormt, terwijl de wereld op zijn grondvesten schudt, slaapt Jona. ‘Sta op!’ Eerst is het God die hem roept. Nu is het de kapitein die zijn stem verheft. ‘Sta op! Bid!’ Maar wat heeft Jona te bidden, wat heeft hij Gods aangezicht te zoeken, juist nu hij wčg is van voor Gods aangezicht. Bidden is vrijwel onmogelijk. Het wordt allemaal alleen nog maar erger. Door de nood gedreven zoekt de bemanning van het schip een uitweg. Het lot moet de schuldige aanwijzen. En het lot valt op Jona.

Wie ben je? het is alsof Jona een formulier moet invullen: naam, adres, woonplaats, nationaliteit. ‘Ik ben een Hebreeër, de God van de hemel vrees ik, Degene die de zee en het droge heeft gemaakt.’ Noodgedwongen móet Jona dat hier zeggen, kleur bekennen, zijn identiteit bekend maken. Het is een belijdenis tegelijk. Die de zee en het droge heeft gemaakt. Béide. De zee met de vernietigende krachten. Het droge met de veiligheid die een mens zo nodig heeft. Jona wil overboord. Hij offert zichzelf op. Maar de bemanning weigert. Ze doen wat ze kunnen om hem te redden. Ze weten niet anders. Ze kunnen niet anders. Ze willen zich niet schuldig maken aan moord! Mensen zetten zich in, de ene na de andere hulpverlener, maar soms, soms sta je met lege handen … .
Jona wil overboord. Is dat heldhaftig? Dat is nog maar de vraag. Ook Jona wil, kan niet anders. Hij wil zich niet schuldig maken aan de ondergang van anderen. Zijn taak is: redden. Nu staat hij voor de ultieme consequentie van zijn vlucht, van zijn niet-leven voor Gods aangezicht.
Jona gaat overboord. Dat is onvermijdelijk. Zijn weg loopt dood. Einde verhaal. Nou ja, het kan nog even gaan over de matrozen die offeren tot God. Tot God, met een grote G? Daar lijkt het wel op. Tot God, midden op zee, dus niet op de aangewezen plaats, niet in Jeruzalem. Kan Hij dan ook buiten die heilige stad geofferd worden? Maar voor Jona is het einde verhaal. Over en uit! Het is de mens die uiteindelijk zijn roeping, zijn bestemming, heeft gemist. Hij is niet de enige, denken wij dan misschien wel stiekem … .

Wat moet je? Wat kun je? De wereld is groot. De zeeën gaan hoog. Jij bent klein. Al ontloop je je roeping en dreig je de weg kwijt te raken. Al weet je niet, hoe het verder moet. Al ga je andere wegen dan je ouders. Al zet je je in, al haal je alles uit de kast, maar dat alles breekt je tegelijk bij de handen af … . Al verlies je ieder houvast. Al nemen je krachten af. Al voel je je klein om wat anderen over jou zeggen. Al groeien de schuldgevoelens, al heb je last van het verleden dat op je schouders rust. Al ben je angstig en onzeker. Al voel je je als een zinkende steen en zink je steeds dieper en dieper. Al lijkt er geen einde aan te komen. Al is er sprake van de opperste vertwijfeling – je wenst het niemand maar dan ook niémand toe … . Juist dán beschikt Gd een grote vis om Jona te verslinden. Juist dán moet Jona drie dagen en drie nachten in die vis verblijven. Juist dán … . Vraag niet hoe het kan, juist dan, juist op dat moment, juist daar. Vraag niet naar het waarom. Vraag niet … . Juist dán, als Jezus, afgedaald in het graf, zo wég dragend de zonden van deze wereld … .

Dopen is vanmorgen niet veel anders dan dát tegenwoordig stellen, of ook dát voorstelbaar maken, Jona, Jezus, dat een mens uit God opnieuw geboren kan worden. Vraag niet hoe het kan … . Dat niemand valt, zo diép valt, of hij valt in Gods hand, in Jezus’ hand, en Hij zal hem dragen.

Voor deze preek heb ik dankbaar gebruik gemaakt van ‘Door de diepte. Een boekje open over Jona’ van B.L. van der Woude.

Alphendebron/070624



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (3.4 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2007, KWdJ