Schriftlezing: Jozua 2 en Mattheüs 1: 1 – 6a

Thema: Het venster van Rachab

Wie is Rachab? Dat is vandaag de centrale vraag. Iemand suggereerde het motto: een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Slim: ze zag wat er stond te gebeuren, de verwoesting van haar stad, het leven van haar familie en van haarzelf stond op het spel. Ze deed wat nodig was om niet meegesleept te worden in de val van haar volk. Maar – en dat zint me dan toch niet helemaal – het is wel koele berekening, een sterk accent op het eigen belang! Het project van de kindernevendienst legt het accent op de gastvrijheid van Rachab. Niet zonder grond. Rachab neemt twee vreemdelingen, twee spionnen, gastvrij in haar huis op. Haar naam lijkt daar ook naar te verwijzen: ruim, open, betekent het. Maar – opnieuw een maar – het is tegelijk landverraad. Het accent gastvrijheid zonder meer is te simpel. U hoeft maar te bedenken welke benamingen vrouwen kregen na WO II die dit soort gedrag vertoonden. Het gaat vandaag in ieder geval niet om gastvrijheid als een deugd, als een soort van goed werk.
Wie is Rachab? Mijn eerste indruk is: ze is ongrijpbaar. Toch is het zaak een antwoord, tenminste iets van een antwoord, te vinden. Ze staat in de stamboom van Jezus als een van de vijf vrouwen (als een van de vier die met name worden genoemd – Bathseba blijft in de schaduw als ‘die van Uria’). Wat typeert Rachab dat ze plaats krijgt in de messiaanse beweging waarvan Mattheüs verhaalt? Waarin wijst ze op Jezus?

Rachab is een vrouw op de rand. In meer dan één opzicht. Ze is een herbergierster, zo vertelt althans de overlevering. Herbergierster, nou ja, de mensen wisten wel beter. Ze was een hoer, een prostituee, ze verkeerde in de rosse buurt. Ik moest denken aan een grensstad in Tsjechië: kamers te huur. De omgeving en de ambiance maakt al snel duidelijk: hier is méér te huur dan alleen een kamer. Dat is een publiek geheim. Haar naam verklapt ook dat: ruim, open, maar ook onstuimig. Het is eigenlijk opmerkelijk dat de Bijbel dat niet verzwijgt. Het lijkt zelfs wel, of er mee gespeeld wordt. Twee mannen komen in haar huis, zo lezen we, waar ze gingen slapen (NBG), om te overnachten (NBV), waar ze zich neer wilden leggen (vertaling K.A. Deurloo). Vooral die laatste vertaling geeft iets weer van het speelse: waar komen die mannen eigenlijk voor? Da’s spannend. Even later is er nog zo’n toespeling, als de mannen van de koning komen vragen: waar zijn de mannen die bij je kwamen … (puntje-puntje-puntje), die in je huis kwamen. Het is om met rode oortjes te lezen. Nogmaals: Rachabs reputatie wordt op geen enkele manier verzwegen. Niet hier, niet in de Jakobusbrief, waar ze genoemd wordt, niet in de Hebreeënbrief. Integendeel: dé hoer, klip en klaar. Ze wordt ze opgenomen in de grote wolk van geloofsgetuigen.
Ik zei al: Rachab is een vrouw aan de rand, op de rand. Ze woont aan de rand van de stad, op de grens. Haar huis stond tegen of op de muur. Ook is wel gesuggereerd, dat de huizen met de achterzijde zelf de stadsmuur vormden. Hoe dat ook zij, we weten dat het huis een deur heeft aan de stadszijde en een venster aan buitenzijde, hoog boven de grond. Ze zit er als het ware tussenin: aan de ene kant de stad met haar ingemetselde, in zichzelf gekeerde bewoners (daar hoort ze bij, daar is ze thuis), aan de andere kant dat slavenvolk, bevrijd uit Egypte (dat ziet ze als het ware door haar venster); aan de ene kant de veiligheid, aan de andere kant de onveiligheid. Ze weet van beide kanten. Ze is een grensganger. Als geen ander weet ze wat er in de wereld te koop is, kijkt ze door de mensen heen, weet ze van een mooie buitenkant en een overspelige binnenkant. Ze hoort, wat anderen niet horen. Bij haar gaan deuren open, die voor anderen gesloten blijven. Als geen ander heeft zij, uitgerekend zij, een bepaalde gevoeligheid ontwikkeld.

Deze vrouw op de rand gaat spreken, getuigen, profeteren. Zij, met haar venster op de wereld, is een ziener. Ik weet …, zo zegt ze. Ik weet: dubbelzinnig!? Het Hebreeuwse werkwoord heeft een breed palet. Weten, kennen, bekennen: het kan ook betekenen sex hebben met, slapen met. Maar nu is haar weten, haar kennen van een geheel andere aard. Zij weet: de Heer heeft u het land gegeven. Dat is een geloofsgetuigenis. Ze trekt haar conclusie. Iedereen heeft gehoord, hoe het slavenvolk de Schelfzee is doorgegaan. Iedereen heeft gehoord, hoe datzelfde volk aan de overzijde van de Jordaan de Amorieten met hun koningen heeft overwonnen. Iedereen is bang: angst is op ons gevallen, we sidderen, trillen ervan. Maar Rachab wordt daar bovenuit getild: ik weet … .
Vervolgens onderhandelt Rachab met de beide mannen. Voor wat hoort wat, voor haarzelf, voor haar familie. Ze wil léven, met haar vader, haar moeder, haar broers en zussen. Ze krijgt de opdracht om als het volk komt aanmarcheren zich met haar familie in het huis te verzamelen en een rood-purperen koord uit het venster te hangen. Dan zal het huis, mét de familie, worden gespaard. Ook het teken is dubbelzinnig. Op afstand lijkt het net een scheur in de muur, alsof de muur zich daar opent. Mogelijk heeft het ook iets van de rode lampjes op onze wallen. Maar dat kunnen we eigenlijk allemaal loslaten als we gaan beseffen, hoe riskant deze afspraak was. Het is een daad van vertrouwen, van geloof. Het ligt in het verlengde van haar weten, haar kijk, haar visie, haar venster. Stellen we ons voor, de stad belegerd: binnen én buiten boze, agressieve, gewelddadige mensen, timmerend op de deur, schreeuwend voor de muur, niemand erin, niemand eruit, letterlijk er tussenin. Rachab de grensgangster. Rachab zit met haar familie in het huis, als in een ark. En dan vertrouwen … . Dat het goed zal gaan. Het kan niet anders: ze heeft iets gezien! Over toekomst, verwachten, Advent gesproken!

De stap van toen naar nu is minder groot dan we denken. Ik denk aan Beyers Naudé in Zuid-Afrika, hij opende het bastion van de apartheid: hij had een deur naar zijn eigen groep, maar het venster op de wereld, op het Koninkrijk van God. Ik denk aan de Amsterdamse wethouder Aboutaleb. Hij probeert de grenzen van de eigen Marokkaanse groep te doorbreken. Vanuit de eigen kring is hij uitgemaakt voor NSB-er, voor verrader. Ik denk aan de vragen die wij onszelf hebben te stellen, wat wij doen met het venster naar buiten, naar Jezus, naar Gods grote toekomst. In de jaren zeventig was er zoiets als de Nieuwe Levensstijl. Christenen wilden laten zien, dat aangeraakt zijn door het evangelie betekent dat een mens anders in het leven staat, met minder toe kan. Die beweging lijkt weggeëbd. Wat doen wij nu? Waarin doen en laten wij anders in de omgang met materiële zaken, omdat wij weten van een ander Koninkrijk? Waarin onderscheiden wij ons in de omgang met elkaar, omdat wij weten van Een die dient, van vergeving en verzoening? Waarin zijn wij anders in ons denken, voelen leven, omdat wij een venster hebben op God?

Wie is Rachab? Ze blijft voor mij ongrijpbaar. Ik krijg geen eenduidig beeld. Ook geen mooi beeld. Ze is niet in alle opzichten voorbeeldig. Ze is en blijft ergens ook een vreemdeling. En toch wordt ze ingelijfd in het volk van God, in het voorgeslacht van Jezus. Ze vormt een wezenlijke schakel in de stamboom. In haar leven wijst ze op Hem. Er zijn allerlei lijnen te trekken, ongrijpbaar als ze is, vreemdeling in eigen land. Het sterkste wat mij bijblijft is dat belegerde huis, een opgesloten familie, aan alle kanten bedreigd … . Zo ging Hij Zijn weg, met het oog, met het venster gericht op de Vader, alles verwachtend van Hem … . In dat vertrouwen geeft Hij Zichzelf … voor ons.

KWdJ/041205



Print deze pagina

© 2004, KWdJ