Schriftlezing: Jozua 1: 1 – 9 en Efese 6: 10 – 20

Thema: ‘(…) de Here, uw God, is met u, overal waar u gaat.’

In deze dienst legde een gemeentelid belijdenis af van haar geloof.

Toen ik de tekst boven de preek nog eens goed tot me door liet dringen, schrok ik. ‘(…) met u’: dat is nogal wat, grote woorden. Waren het nu nog maar die paar worden – die zouden zich nog wel laten interpreteren en inpassen – maar er staat ook nog eens bij: ‘overal waar u gaat’. Dat zinnetje onderstreept het voorafgaande, vergroot het nog eens extra uit, maakt er een vette kop van. Wat kan ik met zulke woorden, als ik ziek wordt; als mijn relatie overhoop ligt; als mijn werk me zwaar valt en ik niet tot rust komt. Ik noem deze drie situaties, omdat ik er in de afgelopen week mee te maken kreeg. Juist dan is God voor ons gevoel ver weg.
Maar het kan ook andersom. Mag ik zulke woorden aannemen, als ik me van God noch gebod iets aantrek. Natuurlijk, ooit is het anders geweest, ooit was ik een bevlogen gelovige, maar dat is vroeger, voltooid verleden tijd. Als ik God wegdruk uit mijn leven, blijft God dat dan zeggen – ‘met u, overal waar u gaat’?
Vandaag wil ik me proberen in te leven in Jozua, in hoe die woorden uit de tekst klinken, kunnen klinken. Het lijkt alsof God aan een stuk aan het woord is, maar het geheel laat zich ook lezen als een dialoog, een gesprek tussen Jozua en God.

Jozua is alleen. Hij voelt zich alleen gelaten. Hij staat in het Overjordaanse, hij overziet het beloofde land. Hoe nu verder? Hij heette dienaar van Mozes. Hij was afhankelijk van Mozes: Mozes sprak met God, Mozes wees hem, het volk de weg, Mozes knapte de moeilijke klussen op. Wat deed Mozes eigenlijk niet? Bij Mozes kon hij terecht met al zijn vragen en twijfels, hij was een soort van vader voor hem geweest. Mozes had altijd een goed woord. Niet voor niets was Mozes knecht van de Heer. Die eretitel was voor hem, voor Jozua, niet weggelegd.
Mozes was dood, gestorven, op de grens van het beloofde land, juist nu het opnieuw moeilijk ging worden. Mozes was weg verdwenen. Hij was de berg Nebo opgegaan en niet weer terug gekomen. God had hem begraven, op een onbekende plek. Voor Jozua, voor heel het volk was er geen plaats om hem te vereren, om te verwijlen bij het verleden, om hun verdriet kwijt te kunnen. Nu moesten ze zelf, helemaal zélf. Ze hadden niet meer dan de woorden die Mozes namens God gesproken had. Daarmee moesten ze het nu doen. Jozua herinnerde zich nog de vurige afscheidsrede die Mozes gesproken had, met gevoel, overtuiging had hij aan allen voorgehouden: zegen en vloek, leven en dood, houd ik u voor; kies dan het leven! Wat had dat toen voor de hand geleken! Wat was het duidelijk geweest! Maar nu was het alleen maar ver weg, onmogelijk eigenlijk. ‘Mijn knecht Mozes is gestorven … .’ Een stem. Gods stem? Mijn knecht … . Mozes had maar één gediend … God. Ach, het zal wel een vergissing zijn geweest.

Jozua kijkt nog eens goed naar het land voor hem. Hij ziet de Jordaan, het water stijgt door de smeltende sneeuw, de overvloedige regenval hoog in de bergen. Hoe zal hij daar doorheen moeten, met al het volk, de mannen, vrouwen, kinderen, het vee? Godsonmogelijk toch?! In andere tijden van het jaar is de Jordaan niet meer dan een modderslootje. Nu is het een wilde stroom. Hij kan het volk toch niet opofferen aan die wilde stroom?! ‘Trek over de Jordaan … .’ Alweer die stem. Zou het onmogelijk dan toch mogelijk zijn?! Jozua’s ogen worden alle kanten opgestuurd, tot aan de grote rivier de Eufraat toe, honderden kilometers naar het Oosten toe. Was dat niet een van de rivieren van het paradijs? Dit land, het beloofde land, dat raakt aan het paradijs! ‘Alles wat voor u ligt, Ik geeft het u.’ Gift, gave, gaaf bovendien. Geen eigen verdienste dus, gekregen, een kostbaar geschenk, niet om trots op te zijn, hooguit dankbaar aan Hem die het gegeven heeft. Jozua schiet vol. Hij denkt terug aan de ontberingen in de woestijn. Ineens komt hem het beeld voor ogen van de afwijzing door het volk, toen hij samen met elf anderen het land verspied had en terugkeerde. Als hij dat bedenkt én als hij het beloofde land bekijkt, dan is hij innig dankbaar, voelt hij zich geborgen. ‘Wie maar de goede God laat zorgen.’ Maar terwijl hij zijn ogen over het landschap laat glijden, staat hij ineens weer met beide benen op de grond. Hij is een nuchter mens. Hij laat zich niets voorspiegelen. Bijna had hij zich door dat schitterende land laten meeslepen. Ho, stop! Hij ziet de steden en begint te tellen. Jericho, om te beginnen, en daar, en daarginds … . De ene stad ziet er nog sterker uit dan de ander. Onbegonnen werk! Hoe zullen ze ooit dit land kunnen innemen? Hoe zullen ze hier ooit in vrede en vreugde kunnen wonen? Hoeveel geoefende mannen heeft hij eigenlijk? Hoe zit het met de wapenvoorziening? Weer die stem: ‘wees sterk en moedig’. Tja, dat klinkt nogal makkelijk. Maar het gaat verder: ‘u zult het volk dit land doen beërven’. Hij? Jozua, de zoon van Nun? Maar dat kan toch niet? Daar is hij toch niet toe in staat? Ja, Mozes, die had het gekund, maar hij, Jozua?!

Jozua heeft nauwelijks tijd om na te denken. Weer klinkt de stem: ‘wees zéér sterk en moedig’. Blijkbaar heeft hij het moeilijkste nog niet gehoord, het volk dit land binnenleiden: ‘wees zéér sterk en moedig, handel naar de wet van Mozes’. Pas dán wordt het Gods land, als Zijn woorden woorden worden waar gemaakt. Dat is pas echt moeilijk. Wat moet hij nu? Bijna al die woorden van God, van Mozes, zijn in de woestijn gegeven. Maar dat was een ander land, een ander landschap, een andere tijd. Wat moet hij met het verbod om het bloed van een dier te eten. In de woestijn begreep hij dat. Bederf, gevaar van ziekte. Zou dat ook moeten in het beloofde land? Is het Gods bedoeling om nog steeds een Grote Verzoendag te houden? Hoe werkt dat dan met dat bokje dat beladen met de zonde van het volk de woestijn wordt ingestuurd? Een woestijn is er niet meer. Dit is nu juist het vruchtbare, beloofde land. Maar afgezien van al die vragen, heel praktisch, hoe kan hij overzicht houden, hoe kan hij de verantwoordelijkheid dragen in zo’n groot en uitgestrekt land? Jozua begint te sidderen, te beven. ‘Nog een keer zal ik het je zeggen’, zo spreekt God, ‘voor de derde en laatste keer. Wees sterk en moedig. Sidder niet als een blad aan de boom, maar sta standvastig als de boom zelf. Want de Heer, uw God, is met u, overal waar u gaat.’ Jozua peinst. Tot iemand hem roept. Hij is nodig: een ruzie, waarin hij moet bemiddelen. Maar als hij terugkeert bij het volk weigert hij zich daarmee bezig te houden. Hij begint te organiseren. Er moet nog veel gebeuren. En met ups én downs verovert zal hij het beloofde land veroveren. Hoe kan dat ook anders met zo’n naam, Jozua, Joshua, Jezus, God is hulp, de Here is hulp, de Here redt. Dat raakt aan termen als genade, aan leven, aan geluk. Aan het einde van zijn leven heet ook hij ‘knecht van de Here’.

‘(…) de Here, uw Gods, is met u, overal waar u gaat.’ Ik besef dat de woorden groot zijn en groot blijven. Te groot misschien. Ze betekenen níet: alles gaat vanzelf, er zullen geen tegenslagen zijn, geen vijanden, geen onwillige volksgenoten. Jozua wordt 110 jaar oud, oud, maar toch niet zo oud als Mozes met zijn 120 jaar. Desondanks: ‘de Heer is met u’, dat zijn de woorden waarmee Jozua het kan doen, waarmee wij het kunnen doen. Onze ervaring wijst soms misschien een heel andere kant op. Waar is God dan toch?! Gelukkig heeft niet onze ervaring, maar uiteindelijk God Zelf het eerste én het laatste woord.

Alphendebron/030601



Print deze pagina

© 2003, KWdJ