Schriftlezing: Jozua 3: 14 – 17 en Jozua 4: 15 – 24

Thema: ‘Wat is er met die stenen?’ (4: 21b)

Wat is er met die stenen? Wij hebben veel van dat soort stenen, voorwerpen met een herinnering, in huis. Soms ademt een huis een en al herinnering. Er is getrouwd, er zijn kinderen geboren, die hebben er rond gekropen, hebben er leren lopen, hun eerste woordjes gezegd, zijn naar school gegaan, en – uiteindelijk – uitgevlogen. Elders is het misschien allemaal wat minder sterk, wat minder scherp, gaat het om een paar voorwerpen. Dat schilderij bijvoorbeeld, dat hing ook bij oma in de kamer. Weet je nog wel, hoe we daar na schooltijd altijd even langs gingen, en hoe vriendelijk ze dan altijd was. Bij oma kon alles. Of dat apart horloge, het ligt ergens in een la, toch wordt het gekoesterd. Het is van oom Jan, die geregeld even aankwam, terug van verre reizen en spannende verhalen. Bijna overal liggen fotoalbums, vol met herinneringen aan vakanties, verjaardagen, zomaar, elk plaatje met een eigen verhaal. Hoe was het ook alweer … ?!
Wat is er met die stenen? Waarom brandt vandaag die kaars met dat kruisje? Of, wat breder: waarom lezen we uit de (kinder)bijbel, bidden en danken wij aan tafel? Waarom gaan wij eigenlijk naar de kerk? Anderen doen dat allemaal niet. Wat zeg je dan als ouders? Je antwoordt: je bent gedoopt … . Nou èn? Waarom dan gedoopt?

Het volk Israël staat voor de laatste hindernis, de Jordaan. Hoewel, de láátste hindernis … . Zelfs als het volk in het beloofde is, dan nog is het niet ‘gearriveerd’, dan nog kan het niet zeggen dat alles voor elkaar is, armen over elkaar en genieten maar. De gave van het land – in de bijbel klinkt dan dikwijls ook mee: van heel de aarde – betekent tegelijk een opgave. Handen uit de mouwen om er met en voor God iets van te maken.

Maar dan eerst toch die hindernis. Want dat is het, een hindernis! Doorgaans is de Jordaan niet veel meer dan een royale moddersloot. Toen was het in het voorjaar, eind maart/begin april een woeste rivier. Het smeltwater van de Hermon, hoog in het Noorden, moest worden afgevoerd. De waterstand was op sommige plaatsen hoog, vijf of zes meter was geen uitzondering. Bovendien waren de oevers steil. Voor een moedige enkeling is dat nog wel te doen. Maar voor heel een volk, voor jong en oud, mannen en vrouwen, met heel hun hebben en houden, kudden, dieren …, onmogelijk! Bovendien: het risico was groot dat aan de andere zijde een vijandelijk leger klaar zou staan, als een roofdier aan de overkant. De massa’s mensen zouden een makkelijke prooi zijn. Doortrekken door de Jordaan is met andere woorden een waagstuk. In het water stappen is een ‘vote of confidence’, een daad van vertrouwen. Het land, het leven ligt voor je open: maar durf je het aan met deze God?

Aan de andere kant: God heeft de leider, Jozua, nauwkeurig geïnstrueerd. De priesters met de ark van het verbond, het teken van Gods trouw, moesten voorop gaan. Het volk zou dan op de afstand van ongeveer één kilometer volgen. Zo zou het volk nauwkeurig kunnen zien, hoe de priesters afdaalden naar de Jordaan en hen een weg bereidden. En zo gebeurt het. En als de priesters dan met hun voetzolen het water raken, precies zoals is gezegd, dan wijkt de rivier, dan blijft het water stilstaan, het hoopt zich op. Vreemd? Niet zo vreemd als het op het eerste gehoor misschien lijkt. Het komt vaker voor, dat het water van de Jordaan tot stilstand komt. Door een aardbeving bijvoorbeeld verschuift het gruis op de bodem, storten de hoge lemen oevers in. Een wonder? Dat wel! Juist op dit moment gebeurt het, juist nu het volk moet overtrekken, het nieuwe land in. Psalm 114 lijkt van heel dat natuurgebeuren te getuigen. Heel de aarde komt in beweging, zo bezingt de psalmist. Niets staat meer vast, zelfs heuvels en bergen niet. Denk aan voorbeelden als: dat hij haar juist toen ontmoette, het was als een godsgeschenk; dat net toen dat telefoontje kwam, het was een wonder. Maar daarmee is nog niet alles gezegd. De Jordaan, dat is letterlijk de naar-beneden-stromer. De Jordaan staat voor de natuurlijke gang der dingen, voor het alledaagse, voor de krant en het journaal, voor werk en school en huiselijke bezigheden. Uiteindelijk verdwijnt het allemaal in de Zoutzee, de Dode Zee, het lijkt nergens toe te leiden. Het is de Here God die dat doorbreekt. Hij breekt in in ons dagelijkse leven. Alsof Hij zeggen wil: het kan anders, het zal anders, niets staat jullie nog in de weg … .

Terzijde. Dit alles gebeurt op de 10e van de maand Nisan. Het staat er terloops, maar het is veelbetekenend. Het is de dag waarop het paaslam wordt geslacht, om te gedenken de uittocht uit Egypte, het feest van Pascha. Zoals later eens het paaslam wordt geslacht, Jezus Christus, om onze zonden weg te wassen. Als door water … .

Dit alles gebeurt, maar wat blijft erover? Twaalf stenen, twaalf kansen om een vraag te stellen. Als uw kind u vraagt ‘wat is er met die stenen’ … ? Dan zullen jullie vertellen: de Heer heeft jullie droogvoets door de Jordaan laten gaat, zodat jullie veilig door konden trekken. Zoals Hij ook ons deed gaan door de Schelfzee, toen uit Egypte … . Het gaat bijna achteloos, maar het is buitengewoon eigenaardig. Want deze mensen, ze waren er helemaal niet bij, daar bij de Schelfzee. Het waren hun ouders, omgekomen vervolgens tijdens de veertig jaar durende omzwervingen in de woestijn! Hoewel het hun ouders waren, zij betrekken het op zichzelf, als was het aan en met hen gebeurd! Zij plaatsen zichzelf bewust in die lange geschiedenis van God met Zijn volk.
Aan de doopouders geven we straks niet alleen de doopkaars mee, maar ook een steentje. Als jullie dan de doopkaars aansteken op de doopdag – of op wat voor dag dan ook – en de kinderen vragen: ‘wat is er met die kaars, dat steentje dat er bij ligt’, dan kunnen jullie antwoorden. Om te gedenken. Je bent gedoopt. Je bent gedoopt in Jezus Christus, in Zijn dood en opstanding. Om te gedenken. Je bent gedoopt, zoals eens Israël ons door het water is voorgegaan, door de Schelfzee, door de Jordaan. Om te gedenken. De aarde, een droge en veilige plaats, is ons door God gegeven. Om te gedenken. Dat is méér dan herinneren, dat is een kracht om om weg te kunnen gaan, een levenswijze. Want je weet: Christus is ook voor mij gestorven. Ik mag altijd bij Hem komen. Want je weet: God gaat met ons mee, geen zee is Hem te hoog. Want je weet: deze aarde is niet van mij, niet voor mijn leven alleen, maar voor een leven met elkaar, tot eer van God.

Alphendebron/020630



Print deze pagina

© 2002, KWdJ