Schriftlezing: Lucas 2: 1 - 20

Tekst: ‘en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen’ (9-m)
Thema: ‘Licht dat ons aanstoot’


Kerkboerderij de Hoef - Utrecht - Leidsche Rijn Geluidsfragment: Kerkboerderij De Hoef - Leidsche Rijn - 24 december 2014


Samenvatting van de preek:

Het klinkt logisch. Het is donker, nacht. Ineens, plotseling, een stralend licht. De herders schrikken. Wie niet?! Het klinkt logisch. De herders houden de wacht, ze waken, ze proberen wakker te blijven. Dat valt niet mee. In vroeger tijden werd de nacht ingedeeld in vier nachtwaken. De eerste was niet zo moeilijk. De zon was ondergegaan, je zag het licht langzaam verdwijnen, net als de kleur, het perspectief. Het was een moment van terugkijken op de dag, van overdenken wat er gebeurd was. De vierde nachtwake was ook niet zo zwaar. In de verte begint het licht te komen, eerst een klein streepje, maar langzaam steeds meer. Het is een moment van vooruitzien, van plannen maken. Het moeilijkste waren de derde en de vierde nachtwake. Pikkedonker. De gedachten van wat geweest is, waren dan uitgedoofd. De vermoeidheid was te groot om vooruit te kijken. Slaperig. Knikkebollen.
Het klinkt logisch. Een stralend licht. Schrik! Zeker als je er niet op rekent. Als je met je gedachten heel ergens anders zit. Als je doezelt, droomt. Opeens wordt je uit de droom geholpen. Alles is in beweging. Waar ben ik, wie ben ik, wat doe ik hier?
Het klinkt logisch. Tegelijk is het vreemd. In Kind & Zondag stond bij de adventskaarsen elke zondag: alle mensen verlangen naar het licht. Met andere woorden: de herders zouden blij moeten zijn. Hun verlangen wordt vervuld! Eindelijk licht, voluit licht. Dat is nog eens iets anders dan een mager vuurtje dat amper warmte geeft, een paar gloeiende kooltjes. Dat is allemaal zo verschrikkelijk behelpen. Maar de herders zijn niet blij. Ze schrikken. Blijkbaar ligt (licht?) het niet zo simpel. Maar hoe zit het dan wel?

Om te beginnen de tekst zelf. Ik begon deze preek met een parafrase van de NBV-vertaling: ‘omgeven door het stralende licht van de Heer’. Letterlijk staat er echter zoiets als: ‘omschenen door de heerlijkheid van de Heer’. Dat is een lastig woord. Het betekent zoiets als zwaarte, gewicht, gewichtigheid. Het zegt dus iets over de positie, de functie van wie daar staat en spreekt. Ze worden omschenen door gezag, door overwicht: ze kunnen er niet om heen. Wat moderner: deze boodschapper van God heeft uitstraling, charisma. In het Frans en Engels staan er woorden als gloire, glory. Het is dus niet zomaar een neutrale postbode die daar een boodschap komt overbrengen. Hij staat daar in al de glorie, met de glans van de Heer. In alles wordt gesuggereerd: hij spreekt niet, maar God is het die hier spreekt. Dan is schrik zwak uitgedrukt. Want in de Bijbelse traditie staat God zien gelijk met sterven. De herders denken dat hun uur geslagen heeft. Ze verstijven van angst, ze vrezen met grote vreze. De engel antwoordt dan met een soort van echo: ‘Vrees niet!’ God zien betekent niet sterven, maar léven. ‘Heden is u de Heiland geboren, de Redder, de Verlosser.’ Daarnaar verwijst die heerlijkheid, daarin ligt die heerlijkheid: dat de Here God in dit kind de weg van de verlossing wil gaan, de weg van het kruis.
Léven! Licht dat ons aanstoot. Dat is niet alleen maar mooi, prettig, lief, zacht. Aanstoten: dat is een flinke por, dat is krachtig, soms ook ongemakkelijk. Au! De herders, wij, we worden hier wakker geroepen uit de alledaagse sleur. Nacht, donker: dan is het heel gewoon dat een mens in slaap sukkelt, wegdoezelt. ‘Ieder mens heeft wel eens tegenslag.’ ‘Ouderdom komt met gebreken.’ ‘Honger in dat land is onvermijdelijk. Kijk maar, zus … en zo … . Eigen schuld.’ ‘Ik kan er ook niets aan doen. Ik doe mijn best.’ ‘Ik kan me niet overal druk over maken.’ Het is alsof we onszelf in slaap hebben gesust. De angel is eruit. Dit weerspiegelt onze tevredenheid. Dat is iets anders dan Gods vrede.
Lucas vertelt zijn kerstevangelie in drie delen. Het middenpaneel met de vreugdevolle boodschap voor de herders. In het midden die bekende woorden: ‘U is heden de Heiland geboren.’ Vandaar uit valt het licht op het eerste paneel, op keizer Augustus, op de volkstelling, op de vazal Quirinius, op de politiek. Vandaar uit valt het licht op dat jonge stel, dat hoogzwangere meisje, dat geen fatsoenlijke plek heeft voor de nacht. Wij kijken er niet eens van op. Gewoon, zo gaat dat. Triomf om 1 miljard bij een Europese top. Honderd asielzoekers terug naar Congo met het etiket ‘asielzoeker’. Foutje. Allerlei drukte. Veel handjeklap, gekonkel, veilig gestelde belangen. Het licht, het licht van deze boodschap, van God die mens geworden is, dat licht laat zien hoe donker, hoe duister dit alles is. Deze wereld, ikzelf, ik word ont-dekt … . Licht dat ons aanstoot … .

Miseria. Gloria. Vlak bij elkaar. Dat vraagt om een reactie, om een antwoord. Als ik me bewust word, doordróngen raak, van het donker, van mijn gemis. Als ik mijn ogen open voor het vreemde, ongehoorde van de wereld waarin ik leef, dan wil ik naar dat heerlijke, naar dat begeerlijke toe. Hij openbaart, Hij onthult, Hij wijst mij de weg. Zo gaan ze dan, de herders, haastig. Het begint met de heerlijkheid van de Heer die hen omstraalt. Als ze het kind gezien hebben, dan keren ze terug en verheerlijken ze God. Het begint én het eindigt met heerlijkheid, Góds heerlijkheid. Eerst ontvangen zij Gods heerlijkheid. Vervolgens geven ze het als het ware aan God terug. In hun woorden, in hun zingen bevestigen ze de heerlijkheid die ze van God ontvangen hebben, ze bevestigen de zwaarte, het gewicht van de boodschap die ze hebben gehoord. Lucas laat die reactie in zijn evangelie steeds weer horen: mensen die God verheerlijken. Steeds weer: van kribbe tot kruis, een weg van vergeving en verzoening.

Op dit punt aangekomen vroeg ik me af, hoe sluit ik nu af? Juist op dat moment ving ik een gesprekje op tussen twee kaarsen: een grote en een kleine. De grote kaars was fors, indrukwekkend. Hij zou zeker een plaatsje krijgen in een fraaie kandelaar. De kleine kaars was bijna opgebrand. Die had z’n beste tijd al gehad. Ik had ‘m al weg zullen gooien. Het gesprekje van beide kaarsen ging welbeschouwd over God, het licht, het kerstfeest, over de mens, over mij.
De grote kaars begon op een verwijtende toon tegen het kleine kaarsje te praten. ‘Wat doe jij hier? Hoe durf je hier naast mij te komen staan, klein onderkruipseltje dat je bent?! Je ziet er niet uit!’ De kleine kaars reageerde fel en direct: ‘Wat weet jij van het leven? Jij hebt nooit geleefd! Jij zou van mij nog heel wat kunnen leren?’ ‘Ik van jou wat leren?! Nou moet het niet nog gekker worden. Ik van jou leren wat leven is, lelijker worden, kleiner worden? Ik wil mooi en groot blijven.’ De kleine kaars glimlachte: ‘Weet je, van mij is veel meer over dan je denkt.’ De grote kaars fronste zijn wenkbrauwen en keek met een vragende blik. Hij wachtte tot de kleine kaars verder zou gaan. ‘Ik heb veel licht gegeven, veel warmte. De mensen hebben naar mijn vlakkerende vlam getuurd. Ik heb hun gebeden ondersteund. Ik ben nog niet vergeten!’ De grote kaars begreep het niet: ‘Wat is dat, licht en warmte geven?’ De kleine kaars antwoordde hem: ‘Dan zul je eerst net zo klein moeten worden als ik, jezelf verliezen. Als je je aan laat steken, dan weet je het.’

In het kind van deze dag, Jezus, omstraalt de Heer mij met Zijn heerlijkheid.

Licht dat mij aanstoot … .

KWdJ/141224




De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.nl


Print deze pagina

© 2014, KWdJ