Schriftlezing: Lucas 3: 1-6, 21-22, en Romeinen 6: 3-11

Tekst/thema: Themapreek over de doop



Samenvatting van de preek:


Nog niet zo lang geleden werd de doop in de meeste protestantse kerken van calvinistisch snit bediend met een formulier. In dat formulier werd keurig uiteengezet wat de doop betekent. Iedere keer was het dezelfde tekst, zo’n vier eeuwen geleden opgesteld. Zo’n oude tekst is voer voor onderzoekers, om na te gaan hoe de tekst tot stand is gekomen, wat de formuleringen proberen te zeggen, enzovoort. Het formulier was een soort van preek, een themapreek. Uit dat oude formulier is één zinnetje bij mij blijven haken. Het klonk vlak voor het doopgebed, namelijk dat de doop bediend wordt ‘tot onze troost en tot opbouw van de gemeente’. De doop is er dus niet alleen voor de ouders en voor het kind (of bij volwassenen: voor de dopeling zelf), maar bij elke doop is de reikwijdte van de bediening veel groter: iedereen die er getuige van is. Iedereen die erbij is, kan er troost uit putten. De aanwezige gemeente wordt er door opgebouwd. Het individu krijgt steun. De gemeenschap wordt opgebouwd.
Het is de vraag of het (nog) altijd zo werkt. Ook vanmorgen zullen er velen zijn die ooit hun kind hebben laten dopen, maar nu moeten constateren dat het heeft afgehaakt. Een doopdienst is daarmee veeleer confronterend dan troostend, laat staan opbouwend. Ik heb de indruk dat het juist ook daarom in de gemeente nauwelijks tot een echt gesprek over dit thema komt. Er is eerder sprake van een grote verlegenheid. Schuldgevoel bij de een: wat heb ik verkeerd gedaan? Jaloezie bij een ander: in dát gezin, daar zijn de kinderen nog wel op geloof en kerk betrokken. Van een gesprek met de kinderen over dit punt komt het niet meer. Over van alles kan gepraat worden behalve dit … . Wij hebben in onze gemeente groepen geloofsopvoeding, met het oog op jonge kinderen. Maar misschien zouden we ook eens een avond moeten organiseren over de vraag, hoe we omgaan met onze gedachten en gevoelens ten aanzien van kinderen die hun eigen weg zijn gegaan … . Vandaag willen we in de eerste plaats de betekenis van de doop zelf belichten.

Als we kijken naar onze dooppraktijk dan is het vanuit die praktijk nog niet zo heel makkelijk om de betekenis van de doop op het spoor te komen. Meestal zijn het ouders die besluiten om hun kind te laten dopen, na een paar weken, na een paar maanden. In de zondagse dienst noemen ze hardop de naam van het kind. Ze beantwoorden de vraag óf ze willen laten dopen en óf ze het kind willen opvoeden in het spoor van de Heer. Bij het dopen wordt de naam van de dopeling genoemd, in één adem met de doopformule ‘ik doop je in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, dit alles uitgesproken bij het besprenkelen van het hoofd van het kind met een klein beetje water. Wie meer wil weten, meer wil kunnen zeggen, moet goed luisteren, naar het doopgebed. ‘U moeten wij danken, Heer onze God, omdat Gij U met ons verbonden hebt op leven en dood’. Waar en wanneer wordt dat verbond zichtbaar? In wat ik maar zal noemen de Bijbelse waterverhalen.
Het begint met de schepping zelf, met het water dat dreigt, dat staat voor duisternis en chaos alom. Daarin kan een mens niet wonen. Uiteindelijk komt op de derde dag het droge te voorschijn, een plek om te wonen, te leven: grond onder de voeten.
Een volgende verhaal is dat van de zondvloed, van Noach en zijn gezin. Die paar die vinden samen met de dieren onderdak in de ark. Veertig dagen en nachten regent het, de aarde raakt overstroomd. Door de ark worden Noach en de zijnen gered.
Vervolgens Mozes, twee keer Mozes zelfs. Eerst Mozes in het biezen kistje, in de Nijl. Farao had verordonneerd dat alle pasgeboren jongetjes in het water moesten worden gegooid, moesten verdrinken. Ook Mozes wordt in de Nijl gelegd, maar in een biezen kistje. Zo wordt hij gevonden, gered, nota bene door de dochter van de farao.
De tweede keer zijn de rollen omgedraaid. Niet Mozes wórdt gered, Hij gaat het volk voor in de redding, hij redt ze uit hun benarde positie. Het volk is beklemd geraakt tussen enerzijds de oprukkende legers van farao en anderzijds de zee, bij Pi-Hachiroth. Mozes heft zijn staf op, de zee splijt en het volk kan doortrekken. Farao en zijn legers achtervolgen Israël, maar zij komen jammerlijk om in het terugvloeiende water.
Het gaat bij dit alles niet alleen om Israël. In Israël mogen ook andere volken zich gezegend weten. Naäman, de officier van Damascus, hij is melaats. Een Joods slavinnetje wijst hem vervolgens op de profeet Elisa. Die zal hem kunnen helpen. Naäman gaat. Hij krijgt de opdracht zich zeven keer in de Jordaan onder te dompelen. Hij aarzelt, maar uiteindelijk geeft hij toe en dompelt zich zeven keer in de rivier onder. Hij geneest.
Een van de bekendste OT-profeten is Jona. Jona moet in Gods naam naar Ninevé, maar Jona wil niet. Hij deserteert. Hij zoekt een schip dat de andere kant op gaat. In een storm raakt hij te water, hij gaat letterlijk kopje onder. Maar hij wordt opgeslokt door een grote vis en na drie dagen weer uitgespuwd. Deze ervaring verandert Jona. Hij is bekeerd, hij gaat nu de andere kant op, naar Ninevé. Hij is als het ware wedergeboren. Hij maakt een nieuw begin en volbrengt de taak die God hem heeft opgelegd: te profeteren tot de stad Ninevé.
U vraagt zich misschien af waar ik heen wil. Misschien hebt u zelf in het voorgaande al een zeker patroon ontdekt. God heeft Zich met Zijn volk verbonden, een verbond gesloten, op leven en dood. 1) Wie door het water heengaat, die vindt het leven. Denk aan de doortocht van Israël door de Rode Zee. Denk aan de genezing van Naäman. Denk aan Jona die zijn leven vernieuwt. 2) Tegelijk wat het water al wat schadelijk is, weg. Denk aan Noach waar het water al het kwade en zondige wegspoelt. Denk aan de doortocht door de Rode Zee waar de onderdrukker die zijn zwepen liet knallen, ten onder gaat. Denk aan Naäman die zijn ziekte kan wegwassen. Denk aan Jona die terug moet komen van zijn vlucht, van zijn eigen plan. Als in het OT het werkwoord dopen wordt gehanteerd, dan is dat steeds weer reinigen, wassen wat onrein en bezoedeld is. Een mens mag zijn verleden achter zich laten, opnieuw beginnen.
In het Nieuwe Testament is het niet anders. Johannes de Doper preekt en bedient de bekerings-, de vernieuwingsdoop. Jezus stilt de storm op het meer, Hij brengt de zee die het leven bedreigt tot bedaren. Hij loopt over het water, Hij staat als het ware boven de machten van het kwaad. Hij laat Zijn discipelen niet over aan de chaos. Hij schept een nieuwe kans, nieuw leven voor ze. In symbolische zin vertoont Jezus’ leven, in het bijzonder Zijn dood en Zijn opstanding hetzelfde patroon. Hij geneest mensen van hun ziekte. Ze kunnen vooruit, ze kunnen leven. Hij vergeeft mensen hun zonden: de last van het verleden kunnen ze achter zich laten. Hij roept mensen op tot navolging, tot een leven volgens Gods bedoeling. Dat verdicht zich als Hij sterft aan het kruis. Hij wordt gebonden opdat wij ontbonden zullen worden. Hij wordt gestraft opdat wij vrijgesproken zullen worden. Hij wordt gedood opdat wij zullen leven. Zo wordt duidelijk waarom in een oude tekst als van de Heidelbergse Catechismus geschreven wordt dat wij in de doop met het bloed en de Geest van Christus worden gewassen van onze onreinheid. Enerzijds het bloed: vergeving. Anderzijds de Geest: vernieuwing, groei en ontwikkeling, steeds verder van het kwaad, steeds dichter bij Hem. De doop is van dat alles een teken, een (onder)pand. Een pand is niet zo gebruikelijk meer tegenwoordig. Ik geef iemand geld, ik geef God mijn leven, ik wil Hem toegewijd zijn. In ruil daarvoor krijg ik een pand, krijg ik de doop. Als ik mijn geld niet terugkrijg, dan heb ik in ieder geval nog dat pand, een stuk zekerheid. Zo is ook de doop een stuk zekerheid, een pleitgrond bij God. Ik ben gedoopt. Ik heb mijn kind laten dopen. God, in de doop hebt U Uw trouw, Uw vergeving, toegezegd. Op moeilijke momenten kan ik dan verwijzen naar dat teken, naar dat moment. Heer, maak dan nu waar wat U eens in de doop hebt toegezegd, vooral nu, nu ik het zelf niet zie.
De doop is in de eerste plaats een gave. ‘Uw teken spreekt’, zo zegt een van de doopliederen. In dat enkele teken in die paar druppels water komen al die Bijbelse verhalen terug. Zo leren we elke keer als de doop bediend wordt Gods hart kennen. Zo is Hij. Daarná komt de doop als opgave. Voor ouders geldt dan dat zij de kinderen een bepaalde opvoeding geven. Voor de volwassen dopeling geldt dat hij een bepaalde levensstijl nastreeft. Let goed op de volgorde: eerst de gave, pas daarna de opgave.

Als we terugkeren naar het begin van de preek, naar de troost van het individu, naar de opbouw van de gemeente, dan is het aspect van de troost wel duidelijk geworden. De doop verkondigt dat er altijd weer een weg terug is naar God, dat Hij met ons hoopt op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dat Hij daaraan werkt. Maar het is goed daarbij te bedenken dat troost steunt, niet meer en niet minder dan dat. Troost neemt verdriet niet weg, het helpt het dragen, verdriet om verkeerde dingen die ik heb gedaan, verdriet om de weerbarstigheid van de samenleving, verdriet om het uitblijven van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, verdriet om kinderen die andere wegen gaan … .

De opbouw van de gemeente komt voort uit het bewustzijn dat wij állen gedoopt zijn. Wij allen staan op gelijke wijze voor God, in afhankelijkheid. Dat schept verbondenheid. Wij worden allen teruggevoerd naar dezelfde oorsprong … . In de doop leren we ons gezamenlijk verwonderen over het wonder dat we mogen leven voor Gods aangezicht.

Alphendebron/070107



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (4.5 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2006, KWdJ