Schriftlezing: Lucas 15: 11 – 32

Tekst/thema: De vader en de verloren zonen


Samenvatting van de preek:


Op drie achtereenvolgende zondagen preekte ik over de gelijkenis van de vader en de verloren zonen. De eerste keer, een doopdienst, richtte de aandacht zich op de vader.
De tweede keer focuste ik op de jongste zoon, in de derde dienst ging het over de oudste. Ik geef kort de inhoud van elke preek weer.


De vader
Henri Nouwen laat ons in zijn boek ‘Eindelijk thuis’ zien hoe nauwkeurig en fijngevoelig Rembrandt van Rijn in een van zijn laatste schilderijen, ‘De terugkeer van de verloren zoon’ gemaakt in 1669, zijn sterfjaar, met de gelijkenis is omgegaan. Rembrandt speelt met het licht, zoals in veel van zijn werk. Het licht valt vooral op de handen van de vader. De blikken van de personages richten zich ook op die handen. Bij nadere beschouwing blijken dat een mannen- en een vrouwenhand. De vader staat hier voor vader én moeder. Hij houdt stevig, misschien zelfs wat streng vast, maar troost tegelijk. Deze Vader, met een hoofdletter, staat aan het begin van ons leven. Hij begint vóór wij begonnen zijn. Dat is een van de geheimen die ook in de Doop wordt uitgedrukt. Hij begint en blijft beginnen. Zijn wijde mantel nodigt ons om te komen en bij Hem te schuilen, wat er ook gebeurt of gebeurd is. Die belofte mag ieder die gedoopt is een leven lang met zich mee dragen.

De jongste zoon
Vanouds valt alle licht op de jongste. Dat is alleszins begrijpelijk. Het is echter de vraag of we ons zo makkelijk met hem kunnen identificeren als wel eens gesuggereerd wordt. Hij is opgegroeid in een gezin met vader en broer, een gewoon gezin. Of het een goed gezin is? Wie het geheel van de gelijkenis bekijkt, moet vaststellen dat het tenminste lijkt dat er veel niet is uitgesproken. Heeft de vader de liefde voor zijn kinderen wel eens uitgesproken, of op een andere manier getoond? Het lijkt er niet echt op. De jongste heeft op een of andere manier gevoeld dat hij op de tweede plaats kwam. Hij voelt zich de minste. De oudste heeft immers het eerstgeboorterecht. Wat hij doet is bepaald niet sympathiek. Door het direct opeisen van de erfenis wenst hij in feite zijn vader dood.
De zoon zoekt bevestiging, door zijn geld. Hij jaagt het er zonder enig probleem door. Maar heeft hij de bevestiging gekregen die hij zocht? Krijgen wij de bevestiging die we zoeken door status, geld, een ideaal gezin … ? Of beseffen wij dat de bevestiging, de rust, elders ligt?
De jongste denkt te min van zichzelf. Hij beseft niet dat de liefde van de vader geen prestatie vraagt of verlangt. Hij miskent zijn vader. Hij komt in het verre land tot zichzelf, keert terug naar huis, maar het is de vraag of zijn denkpatroon nog niet steeds hetzelfde is. Hij blijft bevestiging zoeken in beloning, in dit geval de beloning van een dagloner. Hij beseft niet dat de bevestiging elders ligt … .
Als het gaat om onze relatie tot God de Vader, dan stelt de jongste zoon ons vandaag de vraag of wij onze rust in Gods liefde kunnen vinden, een vergevende liefde, of dat we toch rusteloos blijven zoeken naar vluchtige bevestiging om ons heen.

De oudste zoon
Dé vraag is of de oudste zoon naar binnen komt, of hij mee wil feest vieren. Toen ik aan een gespreksgroep vroeg de gelijkenis eens uit het hoofd na te vertellen, ontstond met name op dit punt discussie. Ging hij nu naar binnen of niet? Jezus laat het open. De keuze is aan ons … .
De gelijkenis staat in het kader van drie. Er gaan mopperende Farizeeën en Schriftgeleerden aan vooraf. Jezus eet met tollenaars en zondaars en dat staat hen niet aan. Vervolgens spreekt Jezus drie gelijkenissen uit. Het begint met het ene van de honderd schapen, verloren en gevonden. Dan volgt de en van de tien penningen, verloren en gevonden. Het eindigt met de ene van de twee, verloren en gevonden. Het kan niet anders, of de vreugde om het gevondene neemt toe. Zonder de oudste zou de gelijkenis een wat zoetig verhaal zijn geworden. De verloren zoon keert terug. Het wint naar mijn idee enorm aan kracht en impact door het slot, de episode met de oudste zoon. Hier wordt de Farizeeër en de Schriftgeleerde voor de keuze gezet: kom je binnen, of niet?!
Waar de jongste te min van zichzelf dacht, denkt de oudste teveel van zichzelf. Waar de jongste door zijn vertrek en escapades van buiten niet zo aardig oogt, is het ‘t innerlijk van de oudste dat ons snel zal tegenstaan. Wat een wrok, wat een boosheid, jaloezie! Hij heeft nooit een bokje gehad om feest te vieren … . Hij heeft altijd zijn best gedaan … . Het is niet eerlijk. Hoeveel oudsten zijn er niet die zo hun best hebben gedaan. Ze zijn strenger opgevoed dan hun jongere broers en zussen, hebben in hun gedrag altijd geprobeerd hun ouders een plezier te doen, aan verwachtingen te voldoen. Alle gal komt er nu in een keer uit. Hij verwijdert zich van zijn vader, van zijn broer: ‘die zoon van u …’.
Toch, ook voor hem komt de vader naar buiten. Hij neemt de moeite. ‘Jij bent altijd bij me’ en ‘Alles wat ik heb, is voor jou’. Dichterbij kan de vader niet komen.
De vraag is of ik voor God mijn trots, mijn bedachte verdienste, kan loslaten. Kan ik vertrouwen? Ik kan mezelf daarin niet redden. Dat lukt gewoon niet. Er is één vraag die ik mezelf moet stellen. De Vader, God Zelf, is voor mij naar buiten gekomen, in Jezus Christus. Voor niemand anders, voor mij! Hij wil mij vinden, terwijl ik buiten in het donker sta, het donker van mijn eigen geest. Is dat genoeg?

Leidscherijndehoef/091004-11-18


http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2009, KWdJ