Schriftlezing: Lucas 17: 11 - 19

Thema: ‘Waar zijn wij?'

Afbeelding: Schutz - schipbreuk In de memoires van een kapitein in de koopvaardij staat een verhaal te lezen over een schipbreuk in de golf van Biskaje. Meer dan vijftien uur waren hij en z’n bemanning bezig geweest 29 opvarenden van een ander schip te redden. Dat alles was niet zonder gevaar voor eigen leven. Enkele keren hadden ze het willen opgeven, maar dan werden ze overreed door mannen die al gered waren om toch nog even door te zetten. Toen de klus geklaard was, werden de redders in/uit de nood overladen met dankbetuigingen. Sommigen vroegen de kapitein: ‘Hoe kunnen we u vergoeden, wat kunnen wij nu voor u doen?’ De kapitein antwoordde daarop: ‘Stuur me in het komende jaar in ieder geval één ansicht met daarop een enkele regel, hoe het u verder vergaat.’ De een na de ander gaf aan, dat dat toch wel het minste was. Natuurlijk, het zenden van een enkele kaart, dat was toch vanzelfsprekend na alles wat er gebeurd was. Ietwat bitter noteert de kapitein in zijn boek, dat hij de eerste kaart nog steeds moet ontvangen. Ik vermoed dat u vanmorgen uw eigen ervaringen hier als het ware tegenaan kunt leggen. U hebt iets voor een ander gedaan, u hebt er mogelijk zelfs een paar dagen voor vrij genomen, schoon gemaakt, geklust, wat al niet. Vervolgens heeft die ander dankjewel gezegd, royaal geantwoord dat hij het nog wel goed zou maken … . Maar daar is het ook bij gebleven. Helemaal moeizaam wordt het natuurlijk, dat toen u die ander nodig had, elk hulpbetoon uitbleef. Het is een aantrekkelijke gedachte om het gedeelte uit het Lukas-evangelie ook zo op te vatten: denk erom, vergeet niet om écht te (be)danken, zeker niet als het om God gaat. Nu, daar gaat het ook om, maar niet alleen. Dat zou me te makkelijk zijn, te oppervlakkig ook. Ik wil me vanmorgen concentreren op de zoektocht naar het ‘meer’: waar gaat het meer om, dan om niet te vertegen te danken?

Tien melaatsen. Tien: dat is het zogenaamde minjan voor de Joodse eredienst. Dit tiental zingt het kyrie: ‘Heer, ontferm U over ons’. Aan het gloria komen zij niet toe. Dat is ook geen wonder, alleszins begrijpelijk. Ze zijn immers melaats. Nu merk ik bij mezelf dat zo’n woord slijt: melaats. Ik sta er nauwelijks meer bij stil. Ik weet zo ongeveer wel wat het betekent: lepra, een huidziekte die een mens langzaam sloopt. De aanstaande Nieuwe Bijbelvertaling doet een aardige suggestie: niet melaats, maar huidvraat. Bij het lezen van dat woord deed ik gevoelsmatig al een stapje terug. Het klinkt in ieder geval akelig, vies, afschrikwekkend. Het is een vernietigende kracht, zo vertelt de Bijbel in het Oude Testament al, zowel voor mensen als voor dingen. Als we Leviticus nagaan, dan krijgen we dat het bij die huidvraat om een soort van schimmel gaat, gevaarlijk, besmettelijk. Mensen en dingen die er last van hebben, moeten verre gehouden worden van de bewoonde wereld. Als het na een week nog niet over is, dan moeten de dingen worden vernietigd, de mensen buiten de gemeenschap geplaatst. Het is met andere woorden bepaald niet mis, als je melaats bent. De consequenties zijn ingrijpend, ver-strekkend.
We herkennen deze en verdere wetgeving uit Leviticus in het gelezen evangeliegedeelte. De tien mannen blijven van verre staan. Zij zijn zich van hun plaats bewust. En vervolgens: als iemand met huidvraat geneest, dan moet hij zich aan de priester tonen, en die voert vervolgens een reinigingsritueel uit. Daarmee wordt de onreine rein verklaard, de onaanraakbare mag weer worden aangeraakt. Zo geeft Jezus ook de opdracht om zich aan de priester te tonen. Alleen de priester kan genezing officieel vaststellen.

Als het tiental met huidvraat dan op weg gaat, dan ‘geschiedt’ aan hen onderweg dat ze ‘gereinigd’ worden. Ik neem de woorden maar letterlijk over, want ze zijn van belang. Reinigen, dat is de taak van de priester. Hier lijken de mannen op voorhand al rein geworden te zijn. Waarom? Dat weet ik niet precies. Ik kan er alleen maar naar gissen. Is dat misschien om aan te geven dat de noodzaak om naar de priester te gaan verdwenen is? Dat is niet onbelangrijk: het hele reinigingsritueel kost acht dagen, meer dan een week. In ieder geval is er vanuit het verhaal zo geen enkel beletsel om naar Jezus terug te keren. Vervolgens valt dan op, dat een van de tien ‘ziet’ dat hij ‘genezen’ is (N.B. dat is dus minder vergaand dan ‘gereinigd’, want reiniging veronderstelt dat genezing reeds heeft plaatsgevonden). Ik krijg sterk de indruk dat met dit woord het werk van Jezus zelf wordt onderstreept: Hij geneest. Deze ene, een Samaritaan, trekt dáár consequenties uit en keert naar Jezus terug, God lovende met luider stem. Alleen hij! De anderen lijken het verband tussen genezing en Jezus niet te leggen.
Tallozen zingen het kyrie, roepen om ontferming. Slechts een enkeling komt aan het gloria toe. Terwijl állen reden hadden kyrie te roepen, maar ook állen reden hadden het gloria te zingen. In verwijtende zin vraagt Jezus: waren het geen tien, die gereinigd werden; en die anderen, waar zijn die dan; hadden zij geen reden God de eer te geven?

Het lijkt alsof de conclusie uit het begin juist is: vergeet niet dank-je-wel te zeggen! Maar is het dat alleen? De ene ziét dat hij door Jezus genezen is. De anderen zien dat niet. Ik stel me het gesprek tussen die negen zo voor. Nadat de eerste zich abrupt en resoluut heeft omgekeerd, om te (be)danken, zegt ander: zullen wij toch ook maar niet? Hij aarzelt. Een derde reageert: we moeten het ook niet overdrijven, bij mij viel de huiduitslag eerlijk gezegd best wel mee. Een volgende reageert: mijn genezingsproces was al ver gevorderd, de dokter zei onlangs nog tegen me … . Weer een ander stelt: ik heb altijd gezond geleefd, goed gelet op mijn voeding; ik heb een sterk gestel, zonder die Jezus was het ook vast en zeker weer goed gekomen. Dan mengt de zesde zich in het gesprek: mijn middeltjes hebben blijkbaar geholpen, ik heb het jullie altijd al gezegd! Twee volgenden geven aan dat ze eerst eens willen kijken, of de genezing wel stand houdt; we kunnen altijd nog danken, tijd genoeg. Terwijl ze zo staan te praten, ontvangt de negende een bericht over zijn ernstige zieke vrouw; alles wat hij vervolgens hoort, doet hem alle goede voornemens om te (be)danken vergeten. De tiende heeft er allemaal niet zo’n zin in: ach, waarom zou ik weer naar Hem toegaan, het was toch eigenlijk ook z’n plicht om ons beter te maken; het is nergens voor nodig om terug te gaan.

Ik wil u uitnodigen vanmorgen zo naar dit evangeliegedeelte te kijken. We roepen Kyrie. In verschillende gevallen hebben we ook reden om het Gloria uit volle borst mee te zingen. Toch doen we het niet. Waar zijn wij negen van de tien keer?

Leidscherijndehoef/090823




Print deze pagina

© 2009 KWdJ