Schriftlezing: Lucas 1: 26 – 38

Tekst: ‘Mij geschiede naar Uw Woord’ (vers 38-midden)

‘Mij geschiede naar Uw Woord.’ Dat klinkt ons abstract en moeilijk in de oren. Niemand zal dat in het dagelijks leven ooit zo zeggen. En wie het wel zo zou zeggen schept afstand. Het is kerktaal, de rituele taal van het Onze Vader: ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde’. Geschiede, geschieden in de aanvoegende wijs … . Wie zegt dat nu zo? Geschiede, geschiedenis. Dat maakt het er niet beter op, want wat hebben u en ik nu uiteindelijk met geschiedenis te maken? Geschiedenis is iets voor grote namen, voor historische momenten, voor dikke boeken waarin onze namen niet te vinden zullen zijn. Afstand. Uw Woord: Gods Woord. Dat is al net zo iets als met dat ‘geschiede’: kerktaal. De Bijbel als Gods Woord. Maar wat betekent dat dan concreet: wat moet ik zeggen, doen, voelen …?! Daarvoor is uitleg nodig, een preek. Opnieuw afstand, een gevoel van iets dat ver weg is en lang geleden, iets voor Maria, voor een goedgelovige, maar niet voor ons. En toch … . ‘Mij geschiede naar Uw Woord’: juist in deze woorden ligt het geheim van het evangelie, van verandering, van een andere wereld, opgesloten.

We richten onze blik op Galilea, meer in het bijzonder op Nazareth. We zoemen in op het huis waar Maria woont, samen met haar ouders. Maria: niet iemand, niet zomaar een mens, maar iemand met een naam en een gezicht. Maria, Mirjam. Dat doet denken aan die andere Mirjam, aan de zuster van Mozes en Aäron, de getuige van de uittocht uit Egypte, de getuige van Gods grote daden aan de slaven die haar verre voorouders waren. Weg uit het land van zonde, onderdrukking en dood!
Ineens staat er bij déze Maria een man in huis, een wildvreemde. Het is een engel, zegt het evangelie. Engel: dat zegt niet zozeer iets over het uiterlijk (vleugels of zo), maar meer over het innerlijk (dat wat hij met zich meedraagt). Letterlijk betekent engel zoveel als boodschapper, hij brengt iets van de een naar de ander, van God naar mens. De naam van deze engel spreekt boekdelen: Gabriël, dat wil zeggen chabber, vriend, maatje van God. Hij kan het weten, wat God zegt. Het klinkt vertrouwenwekkend. Maar wat hij zegt lijkt dwaasheid. Voor Maria zelf: zij zal een zoon ter wereld brengen, ze zal hem Jezus noemen, maar geen man is haar nog zo na gekomen dat dat zou kunnen. Het is dwaasheid voor Maria en de eerste hoorders/lezers van het evangelie. Gabriël spreekt over het herstel van de troon van David, over een koningschap dat geen einde zal hebben. Dat was in Maria’s tijd al een droom. De Romeinse, bezettende macht was sterk, overweldigend. De Romeinse macht kende geen enkel pardon voor opstandelingen. Voor de vroeg-christelijke gemeente moet het nog dwazer hebben geleken: in het jaar 70 werd de stad Jeruzalem verwoest. Hoe kon dat ooit weer goed komen? Wie het vandaag zou horen, zou niet echt anders reageren. Israël is een land van aanslagen geworden, van elkaar vernietigende krachten, van zelfmoordaanslagen en vergeldingen, van een hoge muur, van ongekend wantrouwen … . Davids troon in ere hersteld? Hoe moeten we ons dat ooit voorstellen?
Dwaasheid! Geen wonder dat Maria vraagt, hoe dit alles zal geschieden, daar ik nog geen man heb gehad? Geen wonder dat de vroeg-christelijke gemeente de vraag heeft gesteld: hoe zal dat dan geschieden? De tempel, de troon, alles is verwoest, er is niets van over. Geen wonder dat moderne mensen vragen, hoe ís dat ooit geschied, hoe zal het ooit nog kunnen geschieden, komt en wederkomst. Het is toch dwaasheid, godsonmogelijk?!

Een aantal jaren geleden was ik op bezoek bij een oudere man. Hij was gescheiden. Hij had geen kinderen. Zijn beste vriend, een overtuigd christen, had van de ene op de andere dag de vriendschap opgezegd, zonder enige opgave van redenen. Hij wist, dat de buren over hem roddelden. Hij zat thuis, alleen, eenzaam te zijn. ‘Ik geloof niet meer. Het klopt niet, wat er in de Bijbel staat, wat er gepreekt wordt (‘hebt elkander lief’), niemand doet dat. Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik het zeg, maar het is allemaal onzin.’ Ik vind zoiets erg, maar om een andere reden dan deze man dacht. Ik vind zoiets erg vanwege de verbittering, het verdriet, de boosheid, de eenzaamheid. Ik heb toen op een gegeven moment zoiets gezegd als dat ik me zijn situatie probeerde voor te stellen, maar dat ik niet kan leven zonder de overtuiging dat het anders is, anders worden zal. Ik kan niet leven met dat godsonmogelijke … .

‘Mij geschiede naar Uw Woord.’ Een Woord is in de Bijbel niet alleen een woord, een zin, een verhaal. Een Woord is niet alleen een preek, zelfs niet alleen een goede preek. Een Woord is een krachtige beweging van God uit. Misschien valt het zo te vergelijken. Een woord vormt zich in onze keel door lucht, door adem die over de stembanden gaat. Een Woord in Bijbelse zin is een klank, een ademstoot die gepaard gaat met kracht, met Geestkracht, met dynamiek, of zelfs met dynamiet. Denk aan de engel die zegt: geen Word dat van God komt, zal krachteloos wezen. Bij dat krachteloos staat dan een woordstam waarvan onze woorden dynamiek en dynamiet van zijn afgeleid.
De engel spreekt een Woord tot Maria. Ik spreek een Woord, in de Schriftlezing, in de preek. Straks is er misschien wel iemand die bewust of onbewust onder de koffie zo’n Woord, zo’n Geesteswoord tot u spreekt. Of dinsdagmiddag bij een winkel, tussen de Sinterklaasinkopen door. Het heeft een onweerstaanbare kracht, het gaat door u heen, raakt, is te voelen tot in de toppen van uw tenen. Engelen, Gabriëls, chabbers, maatjes van God.
‘Wees gegroet begenadigde, de Heer is met u!’ God heeft ú, jóu gezien, niet ‘een’ mens, of ‘mensen’, maar specifiek ú of jóu. Dat mag genade heten! Jij, u, hebt een taak, een functie in de komst van het Koninkrijk van God. De puber denkt: wie kijkt er naar mij om, wie kent mijn gevoelens? Ik voel me een vreemde. De veertiger is druk met werk, met kinderen. De oudere denkt wellicht: ik ben de ander alleen maar tot last, ik kan niets meer … . ‘Begenadigde’: het klinkt vanmorgen tot de gemeente, tot elk lid van de gemeente.
Een vrouw vertelt. Ik was ziek, ik had (en heb) een ernstige spierziekte. Psychisch en lichamelijk was ik aan het eind van mijn Latijn. Thuis werd ik ook niet veel beter en daarom dwong ik mezelf naar buiten te gaan, de stad in. Terwijl ik door de winkelstraten slenterde, doelloos wat winkels in- en uitliep, al die mensen zag op zoek naar kadootjes, toen voelde ik me alleen nog maar eenzamer. Ik had het idee, dat niemand mij meer nodig had. Ik pakte de bus naar huis. Er was nog net een plaats vrij. Ik ging zitten. Bij de volgende halte kwam er een onbekende vrouw met een klein kind. Het liep zomaar op me af, zonder reden, pakte mijn hand, kuste die en zei ‘jij lief’. Zijn moeder wilde hem oppakken, maar het jongetje zette door. Het wilde zelfs bij mij op schoot kruipen. ‘Blijven’, zei hij. Op dat moment gebeurde er iets met mij, ik voelde me nodig, mijn leven weer zinvol. Toen wilde ik het toch weer even proberen.
Dat is de individuele kant van de zaak. Maar de dynamiek is groter, het dynamiet van een Woord van God is krachtiger. Het gaat bij Maria niet zomaar om een kind, een zin van leven. Het gaat om een koning naar Gods hart, het gaat om Jezus, niet hoog verheven, maar juist dicht bij en naast de mensen. Dat is de richting die God wijst met al Zijn Woorden, dat het heil zelfs de allerkleinsten bereikt, hen die zelf geen stem hebben, voor wie niemand oog heeft.

‘Mij geschiede naar Uw Woord.’ Dat moet blijkbaar gezegd worden. Het evangelie nodigt u uit om het/een Woord van God te aanvaarden, om u eraan over te geven. Denk aan het voorbeeld van zojuist in de bus. Denk aan Maria: zie de dienstmaagd des Heren, letterlijk: zie de slavin des Heren. In Maria gaat het ook altijd om de gemeente, om eenieder die tot die gemeente wil behoren. Gods Woord vraagt om toevertrouwen, om geduld, om zorg en toewijding: het kind moet kunnen groeien, levensvatbaar worden. Dat vraagt om voorbereiding, zodat alles klaar is, als het kind geboren wordt.
God roept: het hoeft niet te blijven, zoals het is; het zal niet blijven, zoals het is. Wat is ons antwoord?

Alphendebron/031130




Print deze pagina

© 2003, KWdJ