Schriftlezing: Lucas 1: 46 – 55

Thema: God doet niet uit de hoogte

Tekst: ‘want Hij heeft omgezien naar de lage staat van Zijn dienstmaagd’ (48a)

In het kerstspel van de kinderen op kerstavond werd door enkele verslaggevers het kerstverhaal verteld. Na afloop van het kerstspel vroeg ik aan de kinderen, wat er nu verteld was. Waar ging het om? Wat is de bedoeling van dit verhaal? Er is een kind geboren …, maar er worden dagelijks in de wereld zo vele kinderen geboren … . ‘Het is een bijzonder kind’, zo zei de een. Een ander: ‘Gods kind’. En een volgende: ‘het is een koningskind’. Waarop weer een ander reageerde met: ‘hij is geboren in een stal’. Een koningskind geboren in een stal … . Doorgaans worden koningskinderen in paleizen geboren … . Dat God mens geworden is, is op zich al bijzonder. Maar het gaat nog verder: Hij kiest niet de rijkste, de machtigste, de meest wijze en verstandige, niet een familie die zich onderscheidt, maar een heel gewone jonge vrouw. Daarmee raken we de lofzang van Maria die we gelezen hebben. De engel Gabriël heeft haar verteld, dat ze door de Heilige Geest zwanger zal worden en een zoon zal krijgen. Verbazing …, blijdschap …: ‘Heeft God míj uitgekozen? Wil Hij zo onder de mensen wonen? Dat is toch geweldig, dat is toch ongelooflijk … ?!’ De eerste woorden van het lied komen er als vanzelf uit. Mijn ziel, heel mijn levensadem, al wie en wat ik ben maakt groot de Here, ik verheug me! Aan deze extatische vreugde ontspringt haar loflied. Het is als het ware een foto die in een flits, in een enkel moment iets vastlegt op de gevoelige plaat … . Het heeft iets van een lot uit de loterij als de cameraploeg aan heeft gebeld, de deur gaat open, het goede nieuws wordt verteld. Hoewel, een lot, een loterij, willekeur? Nee, meer doel en zin, daar gaat het dan ook over in Maria’s loflied.

We beginnen aan het einde van de tekst: ‘want Hij heeft omgezien naar de lage staat van Zijn dienstmaagd’, ‘de lage staat van Zijn dienstmaagd’. Lage staat, dat blijkt een lastig woord te zijn. Wordt daarmee iets bedoeld als lage status, als eenvoudige komaf? Het komt wel in de richting, maar het is te statisch. Letterlijk betekent het oorspronkelijke Griekse woord zoiets als nederigheid. Maar dat heeft iets te veel van het bedeesde meisje, de vrouw die niet zoveel zegt maar met gebogen hoofd steeds klaar staat, onderdanig en behulpzaam. Iemand vertaalt met vernedering: iets wat anderen je aandoen, je niet serieus nemen, neerbuigend tegemoet treden (ach, kom maar kindje …), je uitlachen, je de gekste klusjes laten doen (een schone gang nog maar eens laten dweilen) … . Daarmee komen we in de buurt. We zouden het woord nog wat kunnen verbreden met andere nuances uit het Oude Testament, op basis van het Hebreeuws dat aan het Griekse woord ten grondslag heeft gelegen: een omgevallen boom (letterlijk dus: een vernederde boom); een gedempte stem; een geëffende weg … . Maar ook, heel letterlijk in Jesaja 2: een teneergebogen mens (letterlijk: een vernederd mens), een mens op een lager plan gezet dan hij of zij eigenlijk thuis hoort.
Zo krijgt ook het andere woord reliëf, dienstmaagd: ‘de lage staat van Zijn dienstmaagd’. Dienstmaagd is niet anders dan slavin. Maria weet waar ze vandaan komt, van een slavenvolk, dat eens in Egypte verkeerde. Maria weet zich verwant met haar naamgenote Mirjam, die danste bij de zee. Zij was met heel haar volk bevrijd van een slavenbestaan en zong vol trots: ‘Zingt de Heer, want Hij is hoog verheven’. Maria, Mirjam, opgetild, opgericht, recht op gezet, trots. Als dat eenmaal gebeurd is, dan is slavin te zijn geen straf meer, dan wordt het een geuzennaam. Maria noemt zichzelf zelfs Gods slavin. Zoals Paulus zich later slaaf van God zal noemen. Zoals niet toevallig een belangrijk deel van de kerk in de eerste eeuwen werd bevolkt door slaven.
Nu kunnen we de zin afmaken: ‘want Hij heeft omgezien naar de vernedering van Zijn slavin’. Omgezien: dat is nauw verwant met het Latijnse respicere, met ons Nederlandse respect. ‘want Hij heeft respect gehad voor de vernedering van Zijn slavin’. Als wíj spreken over respect, dan heeft dan gauw iets van: ‘jij jouw mening, ik de mijne’, ieder zit op zijn eigen eilandje en blijft daar. Er ontstaat geen contact, laat staan gemeenschap. Op deze wijze is respect een zwaktebod. Er gebeurt niets, er verandert niets. Als God zo respect had gehad voor deze wereld, voor Maria … ?! God laat ons in Maria zien, wat omzien, wat respect betekent. God gaat in op de nood van Maria, op de roep die uit haar leven opklinkt. Tolerantie, verdragen, verduren, heeft dikwijls iets passiefs. Respect heeft daarentegen iets actiefs: het is ingaan op wat de ander zegt, wat hem of haar bezig houdt, iets aanbieden van jezelf dat hem of haar daarbij verder helpen kan. Respect is niet zozeer afwachten, niet zozeer zwijgen (hoewel ook dat, de ander moet wel eerst kunnen spreken; wij als mensen moeten wel eerst weten waar de ander zich bevindt), maar spreken, handelen!
Zo voltrekt het evangelie, Gods heil zich aan Maria, en door Maria aan ons allen. Waar is het evangelie te ontdekken in ons leven? Misschien zo, door de vraag te stellen waar ik in mijn leven vernederd ben, waar ik slaaf ben, afhankelijk geworden. Misschien zo, door vervolgens de vraag te stellen wat mij daar uittilt. Dat betekent niet, dat daarmee alles is opgelost, dat de slaaf geen slaaf meer is, de zieke geen zieke meer, de verslaafde niet meer verslaafd … . Alleen: het perspectief wordt anders, er blijkt meer te zijn dan de slavernij, meer dan de ziekte, meer dan de verslaving. Een man met een ernstig ziek kind zei eens: ‘Geweldig, al die aandacht, al die zorg, dat houdt me op de been!’ Dan en daar wordt de helende kracht van het evangelie ervaren.

Maria laat zien: God doet niet uit de hoogte. Hij vernedert Zichzelf. Hij komt naast haar staan. Hij laat merken dat Hij haar gezien heeft. Dat is evangelie: dat God laat merken dat Hij ons, dat Hij mij gezien heeft.

Alphendebron/021229



Print deze pagina

© 2002, KWdJ