Schriftlezing: Lucas 20: 27 – 40

Tekst/thema: ‘Vergezicht’



Samenvatting van de preek:


Als ik de vraag zou stellen, wie er in de afgelopen dagen bewust nagedacht heeft over de dood, over leven-na-dit-leven, over de hemel, dan vermoed ik dat er maar weinig vingers omhoog zouden gaan. Onder ‘de vingers’ verwacht ik meer ouderen dan jongeren, vooral ook mensen die in de afgelopen maanden van dichtbij met de dood zijn geconfronteerd, en vermoedelijk mensen die ernstig ziek zijn of ziek zijn geweest. Bij een dergelijke vraag verschilt het beeld wezenlijk ten aanzien van 1 à 2 generaties geleden. Het staat steeds minder centraal in het geloof, in de geloofsbeleving. Afgelopen week zei iemand niet geheel ten onrechte: er wordt eigenlijk nooit meer over gepreekt. Aan de veranderende beleving liggen allerlei factoren ten grondslag. Een belangrijk punt is de toegenomen welvaart. Wij hebben het hiér al goed. Daar komt een toegenomen activisme bij: wij moeten hiér wat veranderen. ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde’. Daarnaast leven we langer. Dat is bijvoorbeeld heel anders voor velen in Zuid-Afrika, waarover de jongeren straks zullen vertellen. Toch, ook wij kunnen bij de lezing die het evangelie ons aanreikt er vandaag niet omheen. Hoe zit dat na de dood?

We raken vandaag betrokken bij een leerstellig discussie van tweeduizend jaar geleden. Er komen enkele Sadduceeën bij Jezus. Dat waren leidinggevende priesters, mensen in goede doen. Ze beheren de tempel. Ze nemen vooraanstaande posities in in het Sanhedrin. Ze staan in menig leeropzicht tegenover de Farizeeën. Voor beide groepen is de basis dezelfde: de Torah, de wet van Mozes. Maar de Farizeeën stelden dat ook de latere mondeling uitleg bepalend was. Zij waren overtuigd van de opstanding, van het bestaan van geesten en engelen. Het is goed mogelijk dat de overtuigingen van de Sadduceeën in direct verband staan met hun sociale positie. Zij hadden het niet nodig dat het onrecht ooit hersteld zou worden. Zij hadden voldoende invloed op de gang van zaken om hun aangedaan onrecht zelf te herstellen. Ze waren bang voor radicale ideeën, een opstand tegen Rome. Zij hadden alle belang bij de status quo, bij rustige verhoudingen met Rome. Vergis ik me, of hebben deze Sadduceeën iets van ons weg, van de blanke middenklasse van de Westerse wereld.
Deze Sadduceeën komen met een curieuze vraag. De wet zegt: als een man kinderloos sterft, dan moet zijn broer de weduwe trouwen (het zogenaamde zwagerhuwelijk). Op deze manier was de vrouw verzekerd van zorg, eventueel bezit bleef binnen de familie. Maar stel nu dat de eerste man overlijdt, zijn broer trouwt de weduwe, maar ook deze broer sterft, een volgende broer trouwt, en zo voort tot en met de zevende man. Uiteindelijk overlijdt dan ook de vrouw. Met wie is zij nu getrouwd in de opstanding? Ze is immers met alle zeven getrouwd?! De vraag is iets minder curieus dan die ons misschien toeschijnt. De situatie komt voor in het apocriefe boek Tobit. In dat verhaal overlijdt de vrouw echter niet, maar de hoofdfiguur Tobias zal de vrouw redden … .
Jezus geeft een radicaal antwoord. Nú is er sprake van huwen en uithuwelijken. Dat hoort bij onze werkelijkheid. Maar straks, wie deel krijgt aan de komende wereld, aan de opstanding uit de doden, die huwt niet en zal niet worden uitgehuwelijkt. Dan sterven de mensen niet meer. De wet is voor hier en nu, niet voor straks. Het een laat zich niet met het ander vergelijken! Het volgende verhaaltje geeft daarvan een mooie illustratie. Er waren in de Middeleeuwen eens twee vrome monniken. Ze spraken veel met elkaar over het eeuwige leven. Ze beloofden elkaar, dat degene die het eerst zou overlijden de ander zou laten weten, hoe het was. Ze beseften dat dat niet eenvoudig zou zijn en spraken daarom twee worden af. Als het zo geweldig zou zijn als ze nu verwachtten, dan zou het Latijnse woord zijn: ‘taliter’ (zo). Als het anders zou zijn, dan was het te gebruiken woord ‘aliter’ (anders). En zo gebeurde dat de monnik die het eerst overleed de ander in een droom verscheen en zei: ‘totaliter aliter’, totaal anders.
Toch moeten we nog even stilstaan bij de vraag waar Jezus het nu precies over heeft. Het lijkt Hem in eerste instantie om de opstanding van de doden te gaan. Wij zouden zeggen: het gaat over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dat heeft iets van later, van de definitieve doorbraak van het Koninkrijk van God. Maar hoe zit het dan met de doden in de tussentijd? Jezus lijkt te kiezen voor de richting van de Farizeeën. Tot die tijd is wie de grens van leven en dood overschrijdt een engel, een kind van God, en daarmee een kind van de toekomende wereld, bestemd voor de opstanding. Jezus wijst dan heel verrassend op een passage in het Oude Testament, in de wet. Als God Mozes roept, dan stelt Hij zich voor als de God van Abraham, Isaäk en Jakob. Dan zegt Hij niet: Ik ben de God van toen en toen. Nee, Hij zegt: Ik ben de God van Abraham nú, van Isaäk nú, van Jakob nú. Hij is de God van hen die ons zijn voorgegaan, nú. Hij is niet een God van doden, maar van levenden. In God zijn wij verbonden met al die andere gelovigen in het hier en nu, maar ook met hen die ons zijn voorgegaan, en uiteindelijk ook met hen die ons zullen volgen. Zij allen, ze zijn bij name geroepen, net zoals ik bij name ben geroepen. God roept, Hij blijft roepen. Dat vergezicht, dat trekt ons boven onszelf uit, boven de beperkingen van ons en van deze aarde … . Hij met mij.
Toch blijft er een lastig punt over. Jezus heeft het over mensen die de opstanding waardig bevonden worden. Maar wanneer is iemand dan waardig? Wij doen ons best, we proberen te geloven, maar vaak … . Jezus geeft hier geen uitsluitsel. Maar het lijkt ook geen automatisme. Uiteindelijk is de keuze aan God Zelf. Uit andere Schriftgedeelten weet ik dan: als ik me overgeef aan Jezus, dan ben ik in ieder geval goed af, dan mag ik delen in Zijn dood, in Zijn begrafenis, in Zijn opstanding. Als we daar om wat voor reden dan ook niet bij kunnen, dan is daar de Geest, Zijn Geest, die voor ons pleit met woordloze verzuchtingen.

Terug naar het begin, naar onze nadruk op het hier en nu. Er was eens een mier. Hij werkte hard, net als de andere mieren. Druk waren ze in de weer met takjes, stukjes blad, zoetigheid en wat niet al. Maar zo nu en dan stond hij stil en stelde vragen. Hij kon het niet laten. Het was alsof hij een stem had gehoord, een stem die hem die vragen deed stellen. ‘Is dit nu de wereld?’, vroeg hij. ‘Tot hoever reikt de wereld?’ ‘Waar komt het licht vandaan?’ ‘Wat doen wij hier?’ De ene vraag volgde op de ander. ‘Vraag niet zoveel. Werk maar gewoon’, zo zei een van de andere mieren. Op een dag waren ze zo bezig bij een hele hoge boom. ‘Ik wil het weten’, dacht de mier en hij begon de lange klim omhoog. Zeven dagen kostte het. Boven had hij een fantastisch vergezicht. Hij zag de wereld. Hij zag het licht, het was een stuk dichterbij. Hij wilde nog verder, hij probeerde te springen, te vliegen … . Maar hij viel. Gelukkig viel hij zacht, op het mos onder aan de boom. ‘Ben je daar eindelijk weer’, vroeg een van de andere mieren uitdagend, ‘we hebben je gemist’. ‘Wisten jullie dat de wereld veel groter is dan wat wij hier zien? Weten jullie waar het licht te vinden is?’ De mier vuurde zijn vragen op de anderen af. ‘Je bent een dromer’ zei de een. ‘Je bent een fantast’ zei een ander. Hoe hij het ook probeerde, ook later, de mier kreeg geen poot aan de grond. ‘Jammer’ dacht hij, maar hij was gelukkig. Hij ging gewoon weer aan het werk, maar hij wist dat hij onderdeel was van een groter geheel. Dat was genoeg.

Alphendebron/071118



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (4.0 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2007, KWdJ