Schriftlezing: Lucas 2: 22 – 39

Tekst:‘… opdat de overleggingen uit de harten van velen onthuld worden.’ (35b)

Net als anders stond ik na de kerstnachtdienst bij de uitgang. Ik zag velen blij naar buiten komen. Terecht! Gelukkig maar! Het was immers feest! Feestvieren hoort per traditie niet tot de sterkste kanten van de kerk. We hebben meer met het waarschuwende vingertje van de profeet, dan met de opgeheven, ontvangende handen van de priester. Ofwel: we hebben meer met de wet dan met de genade, meer met de opgave dan met de gave. Het zingen van het ere zij God lijkt ons zo nutteloos. We steken liever de handen uit de mouwen. Dat levert direct zichtbaar iets op. Als we luisteren naar de woorden van Simeon (zijn naam is nauw verwant met het werkwoord horen) die hierboven geciteerd staan, dan kunnen we echter niet anders vaststellen dan dat er met kerst iets buiten ons om gebeurd is en … zal gebeuren. Wat profeteert hij ons? Wat heeft hij ons voor te zeggen?

Het is, tussen twee haakjes, bijzonder hoe Lucas de ontmoeting tussen Simeon en de jonge baby Jezus schetst. Drie maal horen we, hoe Jozef en Maria door de wet gedreven worden om naar de tempel in Jeruzalem te gaan. Drie maal ook horen we, hoe Simeon een gedrevene is door de Heilige Geest. Wet en Geest, Woord en Geest, die twee tezamen zorgen voor deze ontmoeting. De een kan niet zonder de ander, de ander niet zonder de een. Wij kunnen de bijbel lezen en herlezen, ontleden tot op het bot, alle mogelijke analyses erop los laten. Maar als we ons niet laten leiden door de Geest, dan ontstaat er geen ontmoeting met de Levende. Omgekeerd. Als we al onze kaarten zetten op de ervaring, de ontroering, op religieuze gevoelens, maar we doen dat los van de bijbel, dan is het nog maar de vraag of we de Ware ontmoet hebben.

Simeon doet in de tempel twee dingen. Hij zegent God (ook al houdt het NBG het voorzichtig op loven). Hij zegent vervolgens de ouders met hun kind. Bij het zegenen van God klinkt vooral de lof op het licht door. Bij het zegenen van de ouders en het daarop volgende spreken tot Maria lijkt de toon veel somberder. Het eindigt met de woorden waar het ons dit keer om begonnen is. Wat bedoelt Simeon ons nu te zeggen?

Om te beginnen het hart, voor de bijbel de bron, de kern van het menselijk handelen. Niemand kan daar bij. Dikwijls kan een mens zelfs niet eens bij zijn eigen hart komen. Alleen God kan dat: ‘Heer, die mij ziet, zoals ik ben; dieper dan ik mijzelf ooit ken’ (psalm 139, berijmd). Het kerstkind, het feestkind zal de overleggingen van dat hart gaan onthullen, althans bij velen. Dat klinkt nogal kwetsbaar. Geen kans meer om iets te verbergen, om iets te verstoppen. Wat wordt bedoeld met die overleggingen? Wie dit woord en het bijbehorende werkwoord bij Lucas natrekt ontdekt dat de overleggingen op het volgende betrekking hebben: 1) verzet tegen een vergevende God; 2) het verlangen om de grootste te zijn; 3) de conclusie dat wij Hem, Jezus, maar beter kunnen doden. Het zal voor velen weinig herkenbaar zijn. Dát willen wij toch niet? Wij kiezen toch voor het goede? Echt waar, altijd, ook als het erop aankomt?

En dan? Nog een maal komt het woord overleggingen voor in het evangelie, namelijk als Jezus verschijnt ten overstaan van al de discipelen. Daar lijkt het vooral om de angst voor het oordeel van God te gaan. Kunnen wij zo, als mensen die Hem op het beslissende moment in de steek hebben gelaten, voor Gods aangezicht blijven leven? Terwijl Jezus dit aanvoelt, ziet in het gedrag van de discipelen, antwoordt Hij met troostende woorden. Zijn dood en opstanding maken ruimte voor omkeer, voor bekering tot vergeving van zonden. Door Hem komt een mens volop in het licht te staan. Het is een overweldigend licht, dat ŕlle duisternis verdrijft.

Wij houden meer van de opgave dan de gave, meer van de wet dan de genade. In ons leven ligt de nadruk op het doen. Als ik nu eens een middag zou gaan helpen in verpleeghuis Oudshoorn … . Misschien hebben ze nog wel iemand nodig voor het jeugdwerk … . Als u dat kunt, er tijd voor heeft, doe het dan. Het is hard nodig. Maar als u er verder niet bij nadenkt, is er dan werkelijk een licht over deze wereld opgegaan? Als het bij dat goede werk blijft, weet u dan op welke wijze God zich met kerst genadig tot ons heeft gewend? Heb u zichzelf dan beter leren kennen?