Schriftlezing: Lucas 2: 40 – 52

Thema: ‘De kunst van het loslaten’

Een tiental kinderen in onze gemeente neemt afscheid van de kindernevendienst. Ze zijn zo’n elf, twaalf jaar. De meesten gaan na de zomer naar de middelbare school. Er verandert veel in hun leven. Ze beginnen te puberen, zoals dat in onze Westerse wereld dan heet. Ze beginnen wat afstand te nemen van hun ouders, van ouderen in het algemeen. Ze worden zelfstandiger en maken in toenemende mate hun eigen keuzes. Natuurlijk gaat niet alles van het ene op het andere moment. Maar als er ergens een scheidslijn, een overgang ligt, dan is dat wel in deze tijd.
Het ligt voor de hand om vandaag te lezen over de twaalfjarige Jezus. Ook bij Hem lijkt zich iets te manifesteren van hetgeen we bij kinderen-van-nu waarnemen. Hij begint zich los te maken van zijn ouders, Hij begint een eigen identiteit te ontwikkelen, schuwt het conflict niet. Voor we verder gaan past dan wel een waarschuwing. Aan de ene kant: inderdaad vertelt het verhaal van de twaalfjarige Jezus ons iets over de veranderende relatie ouder-kind. Dat kunnen we herkennen, daar kunnen we iets van leren. Aan de andere kant: het gaat wel over een bijzonder kind, het gaat over Jezus. Dat betekent enerzijds – nogmaals nuances, hier passen geen oneliners – beperkingen: wij leven in een andere tijd, en onze kinderen zijn nu eenmaal geen kleine Jezusjes. Anderzijds kunnen we juist door de ons bekende relatie ouder-kind te onderzoeken iets ontdekken over het eigene van Jezus.

Om te beginnen kijken we even mee over de schouder van Jezus. Zijn ouders gaan elk jaar met Pasen/Pascha naar Jeruzalem. Jezus groeit als het ware in de traditie. Mogelijk heeft hij zelf als klein kind ooit de vraag met Pascha mogen beantwoorden, waarom deze nacht zo anders is dan andere nacht. Mogelijk heeft hij zijn vader horen vertellen: dit is de nacht waarin wij uit Egypte bevrijd werden …; heden en verleden vloeien ineen. Mogelijk heeft hij geleerd wat de last kan zijn van een traditie, de bijbehorende regels en verplichtingen. Mogelijk heeft hij de lust van die traditie ervaren: het gevoel opgenomen te worden in een groter geheel, het ontvangen van steun en kracht, het ervaren van bevrijding uit het land van de angst. Jezus groeit als het ware in de functie van Jeruzalem, de plaats van Gods tempel, Gods huis. Dáár wordt geleerd, dáár wordt gestudeerd. In tempel waar Jezus ooit als baby over de drempel gedragen is, daar gaat Hij nu zelf op zoek. Hij gaat zélf verder. Niet als een wonderkind zal Hij anderen doen delen in Zijn wijsheid: Hij hoort en stelt (op basis daarvan) vragen. Wie weet heeft hij vragen gesteld: wat is slavernij, wat is bevrijding, wat moet ik met al die regeltjes (is dat bevrijding?). Hij ont-dekt – het was tot op heden nog verborgen – dat Zijn bestemming niet thuis ligt, in Nazareth, maar ergens anders.

Vervolgens kijken we mee over de schouder van Maria. Hoewel het over beide ouders gaat, komt zij, Jezus’ moeder, het meest in zicht. Ze weet dat Jezus een bijzonder kind is. Dat is haar bij de geboorte al gezegd. Maar het lijkt nu volstrekt vergeten. Jezus is als gewoon kind opgegroeid: baby-peuter-kleuter-kind … . Ook in religieus opzicht is Hij gegroeid: Hij gaat als 12-jarig kind mee naar de tempel, precies zoals van Hem verwacht mocht worden. Maar als dat dit incident gebeurt, als Zijn ouders Hem niet kunnen vinden bij het teruggaan naar huis, dan is er verwijt, onbegrip: waarom heb jij ons dit aangedaan?! Angstig, jammerend, zoeken wij je. Er ontstaat verwijdering. Hoewel … . Jezus gaat gewoon mee terug. Hij is Zijn ouders niet alleen maar gehoorzaam, maar zelfs onderdanig.

Ik leg naast dit verhaal uit het evangelie enkele gedachten van professor Ter Horst, voormalig hoogleraar pedagogiek. Hij geeft twee trefwoorden voor de opvoeding: geborgenheid en perspectief (horizon). Hij onderscheidt in het opgroeien een aantal fasen, die erg veel lijken op geboren worden. De vliezen van geborgenheid breken – en dat is pijnlijk – maar tegelijk is daar een nieuw perspectief, een nieuwe horizon. Voor ouders betekent dat steeds weer: loslaten en opnieuw vastpakken; de ouders krijgen in zekere zin een ander kind terug en het kind krijgt – als het goed is – andere ouders terug. Het wiegekind wordt schootkind, wordt loopkind – eerst aan de hand, later op eigen benen. Of anders: eerst is het kind onder handbereik, vervolgens onder oogbereik, dan onder stembereik en dan ineens stilletjes verdwenen. Uiteindelijk zijn ouders en kind bijna gelijkwaardig. Soms gaan de veranderingen gepaard met paniek, onzekerheid. Maar tevens is er ook steeds sprake van gepaste trots: ‘kijk eens wat ik kan’, ‘kijk eens, wat jij allemaal al niet kunt’.

Bij de twaalfjarige Jezus voltrekt zich iets dergelijks. De vliezen van het veilige, huiselijke bestaan breken door. Er opent zich voor Hem een nieuw perspectief. We voelen de paniek bij de ouders, met name bij Maria. Maar ook bespeuren we die gepaste trots: ze bewaart dat wat er gebeurt is in haar hart, net als toen, bij Zijn geboorte.
Maar tegelijk – en daarmee ontdekken we iets van het bijzondere van Jezus – valt het volgende op. Deze verandering is bij Jezus meer dan een stap in een nieuwe levensfase, het is een fundamentele verandering die Zijn leven stempelt. Hij daagt mensen steeds uit om door de geborgenheid heen te breken en het perspectief van een nieuw, een ander leven te zoeken. De paniek die Hij veroorzaakt is echter zo groot, dat de mensen Hem zullen ombrengen.
In de tweede plaats gebeurt dit alles niet toevallig in Jeruzalem, en niet toevallig op het Paschafeest, met een driedaagse zoektocht. Juist daar en dan zal Hij eens laten zien, dat wij alleen maar kunnen groeien door uiteindelijk alle geborgenheid van het leven achter ons te laten, door ons over te geven aan Hem, aan Zijn dood, aan Zijn Vader: vertrouwend op dat grootste perspectief dat opstanding, leven heeft.
Kinderen leren ons vandaag: het is loslaten en vastpakken, opnieuw vastpakken. De kinderen leren ons vandaag aan de hand van de twaalfjarige Jezus: God laat ons los, Hij geeft ons kansen, maar in de zekerheid dat wij uiteindelijk weer door Hem worden vastgepakt, stevig vastgepakt … .

Alphendebron/030629




Print deze pagina

© 2003, KWdJ