Schriftlezing: Lukas 17: 1 – 10

Tekst:‘(…) wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen’ (10b)
(schriftlezing: zie onder. HIER drukken)

Deze preek is gemaakt voor zondag 7 oktober, Israëlzondag. De Schriftlezing bestaat uit verschillende onderdelen die elk apart én in hun onderlinge samenhang moeilijk te begrijpen zijn. De verbinding met Israël is moeilijk te leggen. Daarom heb ik ervoor gekozen dat aspect vooral in de rest van de dienst – gesprek met de kinderen, voorbeden – een plaats te geven en in de preek de Schriftlezing zelf het volle pond te geven. Als bijlage wordt de Schriftlezing overzichtelijk afgedrukt (NBG met enkele aanpassingen en kanttekeningen).

Ik vermoed, dat de tekst van vanmorgen op het eerste gehoor instemmend geknik zal opleveren. Zo’n uitspraak is een toonbeeld van bescheidenheid. Zo hoort het in het leven. Niet zeuren, maar gewoon doen.
Maar op het tweede gehoor? Als we er even over hebben nagedacht? Stel uw VUT komt in zicht en de baas roept u bij zich. Hij deelt u mee, dat met onmiddellijke ingang de receptie bij het afscheid is afgeschaft en dat er ook geen extraatje, geen gratificatie meer in zit. Hij voegt er aan toe, dat u uw werk op zich altijd prima hebt gedaan, weinig op aan te merken. Maar: u hebt gewerkt, zij betaald, keurig volgens de arbeidsvoorwaarden. Dat moet voldoende zijn. De kans is groot dat u toch met een katerig gevoel naar huis zou gaan. Waarschijnlijk ontstaat een gevoel tekort gedaan te zijn, minder of zelfs helemaal niet gewaardeerd te worden. Met moeite maakt u de laatste maanden vol. Misschien is alle motivatie wel verdwenen en zou u zich zelfs ziek melden … .
Voor wat hoort wat. Hoort meer. In de kerk is dat niet anders. Zo was ik eens op bezoek bij een ouder iemand die zich altijd actief in het kerkelijk leven had opgesteld. Lid geweest van de kerkenraad, talloze bezoeken gebracht als ouderling, meegedaan aan allerlei groepjes en commissietjes. Nu was dat allemaal voorbij, het ging lichamelijk niet meer, en hij was aan huis gebonden. Weinigen bleken aan hem te denken. Dat riep verbittering en teleurstelling op. Hij was boos: ‘Ik heb mij toch altijd zo voor anderen ingezet’. Met andere woorden: nu verwacht ik iets terug.
Het leven zit vol van onderscheidingen, lintjes, medailles, beloningen en wat niet al. Het gevaar bestaat altijd, dat we daar op gaan rekenen. Sterker nog: wie daar niet mee en op rekent, wie volstrekt en oprecht onbaatzuchtig met anderen omgaat, die is volgens velen niet goed bij zijn hoofd. Wat zullen wij, moderne mensen natuurlijk, dan met deze woorden van Jezus?
Jezus is onderweg naar Jeruzalem met Zijn discipelen. Het landschap is afwisselend. De wegen zijn stoffig. Onderweg komt het groepje van alles tegen: mensen aan het werk op het land, druk bezig met de dagelijkse beslommeringen in de dorpen. Jezus en de discipelen ontmoeten uiteenlopende mensen, jongeren vol idealen, ouderen met vele ervaringen, armen die niets meer te verwachten hebben en rijken die niet weten waar ze hun geld zullen laten. Ik stel me voor, dat aan de hand van alles wat voorbijtrekt gesprekken ontstaan. Over iets praktisch als zaaien en oogsten, over iets levensbeschouwelijks als het waarom van de armoede … . Zo komt het ook op thema verleidingen, letterlijk in het Grieks ‘skandaloi’, denk aan ons ‘schandalen’, verleidingen voor ‘deze kleinen’. Zijn dat kinderen? Die zijn niet in de buurt. Worden de discipelen bedoeld met ‘deze kleinen’? Dat zou kunnen. Mogelijk is het ook een kwalitatieve aanduiding: wie zich klein maakt, zich vernedert, die is groot, die hoort erbij in het Koninkrijk van God. Wij weten niet, wat Jezus en Zijn discipelen op de dag van deze uitspraken hebben meegemaakt, voor ogen hebben gehad. Hebben ze misschien het levensverhaal van iemand gehoord, van een van de discipelen bijvoorbeeld?! Van een mens die hard gewerkt heeft, geleefd heeft voor zijn gezin, als kostwinner, in de opvoeding en verzorging, of hoe dan ook? Of van iemand die zijn talenten goed gebruikt heeft, bijvoorbeeld voor een medische studie om zich in te kunnen zetten voor anderen en mensenlevens te kunnen redden? Of in de kerk, een van die enthousiaste vrijwilligers die bergen verzet? Bij dit soort positieve verhalen, wat is dan zonde, waarin ligt dan de verleiding, het mogelijke schandaal? Dat je jezelf op je capaciteiten, op je inzet gaat beroemen. Dat het niet gaat om de dienst aan het Koninkrijk, niet op de dienst aan de Heer van dat Koninkrijk, maar dat jij jezelf in het middelpunt gaat plaatsen. Kijk eens, hoe ik me heb ingezet voor mijn gezin. Kijk eens, hoe ik me inzet voor mijn patiënten (zoals die Italiaanse arts die binnenkort de eerste gekloonde baby’s zou presenteren). Kijk eens, hoe ik het vuur uit de sloffen loop voor de kerk. De situatie laat zich misschien in de context, vooral met het oog op het vervolg nog nader preciseren: het betreft zelfgenoegzaamheid, het idee genoeg gedaan te hebben, op je lauweren te kunnen rusten. Jezus gaat namelijk over op het thema vergeven en geeft aan, dat het met één maal nog niet klaar is. Zelfs al komt een ander zeven maal op een dag met berouw op je af, dan nog is het koninklijk om al die zeven keer te vergeven. Het is niet goed mogelijk nu uitputtend op het thema vergeven in te gaan, maar we beseffen maar al te goed, hoe moeilijk dat is. Je zult maar een naaste hebben verloren daar bij die verschrikkelijke rampen in Amerika. Je zult maar moslim zijn in de Westerse wereld en op verschillende momenten net even achtergesteld worden. Je zult maar Jood zijn in Israël en onder voortdurende angst leven voor een aanslag. Je zult maar Palestijn zijn en om niets urenlang bij een blokkade moeten wachten. En toch: wie gelooft, kan niet om vergeving heen. Het is niet gauw genoeg. Geen wonder, dat dat de discipelen wanhopig maakt: geef ons meer geloof! Daarop daagt Jezus hen uit: als je geloof had als een mosterdzaad, inderdaad, dat kleine zaadje, dan zou je een moerbeiboom kunnen ontwortelen, juist die boom met vreselijk taaie en stevige wortels. Geloof kan enorme veranderingen teweeg brengen. Denk aan die zieke, vol geloof en overgave, die juist in zijn laatste dage ondanks de weinige woorden door sfeer, door houding juist anderen tot steun is!

We doen even een stapje terug om dan de eindspurt in te zetten. Wat is nu de verleiding, het ‘skandalon’? Ten diepste is dat de aanvechting om het geloof niet te laten in het leven, om voorbij te gaan aan de gekruisigde Heer, aan die kracht Gods tot behoud, aan die bron van liefde, van heil en heelheid. De verleiding bestaat erin, dat Hij voor ons maar een gewoon mens is, een voorbeeld. Dat het in Zijn lijden en sterven gaat om een menselijk drama in plaats van Gods gericht. Dat Hij niet Heer is over leven en dood, over óns leven.
In dat licht wordt ons het slot van de Schriftlezing duidelijk, over die kleine boer en zijn ene slaaf. Mogelijk zijn Jezus en Zijn discipelen die slaaf onderweg wel tegengekomen, ploeterend op een klein lapje grond. Een van de velen. Na dat stugge werk op het land houdt het thuis nog niet op. Hij moet ook nog de keuken in en vervolgens nog eens zijn heer aan tafel bedienen. Zelfs dan hoeft er geen dankjewel te volgen. Hij heeft slechts gedaan, wat hij moest doen. Dat klinkt ons hard in de oren. Maar we moeten dan wel bedenken, dat het in die tijd idealiter zo ging, dat de slaaf onderdak kreeg, voldoende kleren, fatsoenlijk eten, dat hij op bescherming mocht rekenen tegen derden, dat hij als een kostbaar bezit werd behandeld. De slaaf heeft zijn leven aan zijn heer te danken. Het gaat om die heer, niet om hemzelf. En daarmee is de cirkel rond. Wie zo vandaag luistert, die hoort het evangelie. Want dat evangelie is volstrekt ánders dan onze streberige, prestatiegerichte maatschappij. Dat evangelie doorbreekt al onze wetmatigheden, heel onze maatschappelijke orde. Het gaat niet om de beloning, om de receptie of de aandacht later. Alle accent verschuift naar de Heer van ons leven, naar de kracht van het kruis, vanwaaruit wij leven. Wat een rust! Wie zo leeft, begrijpt dat het meer is dan een overdreven vrome geste dat Bach onder elk muziekstuk drie letters plaatste: SDG, Soli Deo Gloria.


Lukas 17: 1 - 10
1 Hij zei tot zijn discipelen:
Het is onmogelijk, dat er geen verleidingen komen,
maar wee hem, door wie zij komen!
2 Het zou beter voor hem zijn,
als een molensteen om zijn hals gedaan was
en hij in de zee was geworpen,
dan dat hij één van deze kleinen tot zonde verleidde.
3 Ziet toe op uzelf!

Indien uw broeder zondigt, bestraf hem,
en indien hij berouw heeft, vergeef hem.
4 En zelfs indien hij zevenmaal per dag tegen u zondigt
en zevenmaal tot u terugkomt en zegt: Ik heb berouw,
zult u het hem vergeven.

5 En de apostelen zeiden tot de Here:
Geef ons meer geloof.
6 De Here zei:
Indien u een geloof had als een mosterdzaad,
u zou tot deze moerbeiboom zeggen:
Word ontworteld en in de zee geplant,
en hij zou u gehoorzamen.

7 Wie van u zal tot zijn slaaf,
die voor hem ploegt of het vee hoedt,
als hij van het land thuiskomt, zeggen:
Kom terstond hier aan tafel?
8 Zal hij niet veeleer tot hem zeggen:
Maak mijn maaltijd gereed, schort uw kleren op en bedien mij,
tot ik klaar ben met eten en drinken,
en daarna kunt u eten en drinken?
9 Zal hij de slaaf soms danken,
omdat hij deed wat hem bevolen was?

10 Zo moet ook u, nadat u alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen [denken]:
Wij zijn onnutte [= zonder bijzondere verdienste, bescheiden] slaven;
wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen.



Print deze pagina

© 2001, KWdJ