Schriftlezing: Lukas 3: 1 – 6

Thema: Roepende in de woestijn

Wie wel eens in de woestijn is geweest, die weet het. De woestijn bestaat uit meer dan zand, er zijn ook rotsen, er is meer variëteit dan wij op afstand dikwijls denken. Maar dat mooie, fascinerende gebied is ook onherbergzaam. Er is geen plek om te schuilen tegen de stekende zon. Het landschap is eindeloos, leeg. Tijd bestaat niet in de woestijn. Natuurlijk: dag en nacht wisselen elkaar af, en ook van de seizoenen is op deze uitgestorven plekjes van de aarde het nodige te merken. Maar het is een cirkelgang, er is geen geschiedenis, geen wezenlijke ontwikkeling, geen doorgaande lijn. Al het nieuwe wordt verzwolgen door de krachten van de natuur. Alles blijft bij het oude.

Wie roept, verwacht gehoor te vinden, reactie, aandacht. Maar wie zal de roepende in de woestijn horen? Het geluid, de stem, het zijn hooguit een paar trillingen in de lucht die al snel weer doodslaan. En zelfs als de roepende gehoord wordt: wat zal het helpen, wat zal het wezenlijk veranderen?

Een roepende in de woestijn: van God en mens verlaten. Een gevoel: het doet er niet toe, ik doe er niet toe. We proberen met de eerste verzen van Lukas 3 een tegenbeweging op het spoor te komen, een tegengif. De naam van de roepende in de woestijn, houdt al een belofte in zich. Johannes is namelijk zijn naam: de Heer is genadig, betekent dat.


Lukas begint Lukas 3 met mannen van naam: Tiberias, de keizer, om te beginnen. Dan volgt Pontius Pilatus, stadhouder over Judea. Na hem komen drie viervorsten, opvolgers van Herodes de Grote: Herodes (Antipas), Philippus en Lysanias. Tot slot nog twee mannen uit het hogepriesterlijk geslacht: Annas en Kajefas. Het is bepaald geen compliment dat zij in dít rijtje worden genoemd. Commentaren constateren: Lukas weet waar hij het over heeft. Lukas probeert zijn lezers met al deze gegevens te overtuigen. En de commentaren hebben daarin vast gelijk. Maar het heeft – om met Willem Barnard te spreken – tegelijk ook iets zots, die grote namen hier in het evangelie. Deze zeven – naar het getal van de dagen der week – zij lijken de geschiedenis te bepalen … . Maar het is uiteindelijk de achtste – de eerste van een nieuwe week, een nieuwe tijd – aan wie het woord van God geschiedt!

Wie nog wat langer naar de opbouw van de tekst kijkt, valt nog meer op. Johannes staat ingeklemd tussen aan de ene kant de wereldlijke machthebbers en aan de andere kant de macht van God, het Woord. De boodschap van Johannes heeft alles met zijn positie te maken. We komen binnen langs de weg van onze alledaagse geschiedenis. Johannes wijst ons de weg naar het Woord van God. Hij verkondigt dat ook in de doop: bekering, van het ene bereik naar het andere bereik, van onze geschiedenis naar Gods geschiedenis.

We houden even stil. Want: wat kunnen wij nu met deze bijbelse woorden? Ik trek enigszins willekeurig enkele lijnen. Wie is die roepende in de woestijn? Dat is soms de christelijke gemeente, die zich in toenemende mate onbegrepen voelt. Ze wijst de weg, ze predikt een doop van bekering en verandering, maar de mensen blijven steeds meer aan de kant van dat zevental staan. Zo lijkt het althans. Ouders van (opgroeiende) kinderen hebben eenzelfde gevoel: roepende in de woestijn. Hun woorden, hun geloof, het lijkt de kinderen niet te bereiken. De geloofsopvoeding breekt af. Ook de individuele gelovige herkent de positie van de roepende. Wat doet mijn geloven, mijn leven ertoe. Komt het Koninkrijk van God er ook maar een stapje door dichterbij?

Het is opvallend hoe Lukas omgaat met het citaat uit Jesaja 40. Kijk en vergelijk. Jesaja zei nog ‘iemand roept’. Bij Lukas is dat een ‘stem van een die roept in de woestijn’. Dit woord lijkt niets te verwachten te hebben. En toch: het begint met hem, met zijn Woord! Bereidt je er maar op voor, dat hij komt, de Messias. Maakt recht zijn paden, schrijft Lukas, hij vermijdt te melden dat het Gods paden zijn, terwijl Jesaja het toch had over een ‘baan voor onze God’. Het mooiste zit echter in het slot. Heel kunstig formuleert Lukas daar dat alle vlees het ‘heil’ van God zal zien. In het Hebreeuws zal dat zoiets geklonken hebben als jesjoea, jozua, jezus. In Hem zal heil, heelheid gevonden worden. Dat wordt ons door de woorden heen als het ware fluisterend bekend gemaakt.

Roepende in de woestijn. Hoe vreemd, wereldvreemd het ook lijkt: met díe roepende begint God. Eens bij Johannes, nu bij die gemeente, bij die worstelende ouders, die vertwijfelde gelovige. Maken wij ruimte voor Hem die komen gaat?

001210/Alphendebron