Schriftlezing: Marcus 13: 24 – 37

Thema: ‘Tussen weten en niet weten.’

Vooraf
De Schriftlezing valt in twee delen uiteen: eerst de verzen 24-27. Deze verzen liggen direct in het verlengde van het voorafgaande. Vervolgens zijn er de verzen 28-37. Deze geven op een geheel eigen wijze antwoord op de eerder gestelde vraag: wanneer … (vers 4)? De verzen 28-37 bevatten twee korte gelijkenissen, die van de vijgenboom en die van de deurwachter, die van het weten en het niet weten. Deze gelijkenissen omklemmen vers 31, waarin Jezus zegt: ‘De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.’ Dat is het hart van de verkondiging. Dat ligt tekstueel tussen weten en niet weten in. Tegelijk omspant het die twee, het overstijgt beide.

Samenvatting van de preek
Ze zullen de Zoon des mensen zien komen, op de wolken, met grote macht en heerlijkheid. Grote woorden zijn dat. Wij kunnen er letterlijk en figuurlijk niet bij. Zo overweldigend is het. Zo overweldigend is eigenlijk dit hele tafereel uit het evangelie. Alle natuurmachten komen los.
Mijn eerste associatie bij het gelezen gedeelte betreft een anekdote over prof. van der Leeuw, predikant, hoogleraar en kort na de oorlog zelfs een tijdje minister. Hij zat eens ergens in het land op een terrasje, toen hij iemand achter zich hoorde zeggen ‘Och meid, waar moet het toch naar toe?’ Van der Leeuw draaide zich om en vroeg: ‘Mevrouw, hoe weet u zo zeker dát het ergens naar toe gaat? Het lijkt immers helemaal nérgens naar toe te gaan …’. Ik voeg daar vanmorgen aan toe: eigenlijk alle wegen in het leven lijken dood te lopen, eindig te zijn, zonder écht uitzicht.
Neem nu degene die ernstig ziek wordt. Hij vraagt naar het waarom. Hij begrijpt het niet, hij raakt de grip op zijn leven kwijt. Hij wordt angstig. Het zwarte gat van de dood komt dichterbij. Er ontstaat twijfel over wat komen gat, twijfel over het geleefde leven, twijfel over het geloof. Alles komt in beweging, alles begint te trillen, te draaien, te wankelen. Elk houvast lijkt te verdwijnen. De mensen eromheen, familie, vrienden, gemeenteleden, en ja, ook een predikant, ze proberen al het mogelijke te doen, ze praten en ze zwijgen, ze doen en laten, alles op zijn tijd, ze vragen zich af, hoe lang nog zó verder, ze voelen zich uit zichzelf leeg en machteloos. Wat is de zin? Wat is het doel? Is dat er wel, doel, zin?

Het vergaat ons niet anders als we roeren in het potje van de geschiedenis. Het gaat maar door. Vlees en bloed. Geweld op straat: we hoeven van tijd tot tijd alleen maar de naam van stad of dorp te wijzigen: Leeuwarden, Vlaardingen, Gorkum, Venlo … . Dreiging van aanslagen, aanslagen zelf: Israël, Palestijnen, Al-Qaida … . We hebben misschien nog wel eens even gedacht dat het beter ging, dat de wereld beschaafd zou raken. Intussen weten we wel beter, na die bloedige 20e eeuw: 1,5 miljoen Armenen, 6 miljoen Joden, ontelbare Russen onder een totalitair communistisch regime, zovele Afrikanen ten onder door wanbeleid en corruptie. Het houdt niet op.

En toch die grote woorden: de Zoon des mensen zal komen … . En dat in een land dat in Jezus’ tijd geteisterd werd door een halve burgeroorlog. Hoevelen zullen niet hun vader, hun echtgenoot, hun broer, hun zoon zijn kwijt geraakt?! Ze zullen zich veel beter thuis hebben gevoeld door de voorafgaande woorden. Wij zouden ons daarbij veel beter thuis voelen: een verduisterde zon, een maan zonder glans, sterren die van de hemel vallen, een aarde die wankelt, een wereld op zijn kop. Punt. Punt uit!

Maar Jezus gaat verder. Hij wijst op die andere kant, op wat achter de horizon ligt, een licht dat haast niet wachten kan, het slechts op in het evangelie. Eerder heeft Jezus over alle verschrikkingen gezegd: ‘dit is het begin der weeën’. Wij herhalen: ‘dit is het begín der weeën’. We trekken er een somber gezicht bij. Het wordt nog erger. Het verschrikkelijke wordt nog verschrikkelijker. Maar Jezus bedoelt (ook) iets anders te zeggen: ‘weeën’. Met andere woorden: er wordt een geboorte ingeleid, er is een geboorte aanstaande. Er gebeurt van alles: oplopende spanning, boosheid, woede, vloeken, knijpende handen … . Een wereld in barensnood. Maar het kind komt eraan, langzaam maar zeker! Langzaam, maar zeker!
Let op de vijgenboom. Met de wijnstok is dat de enige boom in Israël die zijn bladeren laat vallen. Zowel vijgenboom als wijnstok zijn een teken van Gods nabijheid, van Gods zegen. Ze verwijzen naar het land waar het leven goed is, waar een mens met een goed glas wijn onder de zon kan genieten van de schaduw van een boom. Nu is die boom kaal en stug, weerbarstig. Nu is de boom hard, ongenaakbaar. Maar de boom wordt eens zacht, aaibaar, teder, eens breekt de boom open als een geboortevlies, eens wordt iets nieuws geboren. Weet dan: de zomer is in aantocht.
Geloven, gemeente zijn, dat is oefenen om zó te leren kijken, zo te leren leven. Zuchten, jazeker zúchten, maar zuchten met een vooruitzicht. Helpt dat dan, om zó te kijken, zó te leven, zó te zuchten? Wie wordt daar beter van? Niemand toch?! Er is maar één reden om het zo te doen, om deze weg te volgen: de Heer zegt het. Zó leven, zó kijken, zó beleven, dat vergt oefening, godsdienst-oefening. Vaak gaat het onze macht te boven. We hebben het niet zomaar te pakken. Op het moment dat een mens denkt ‘nu heb ik het’, dan glipt het ook zo weer uit zijn hand.

Daarom zegt Jezus: weest waakzaam. Denk niet te snel: het zal wel, het zit wel goed met mij, wat kan mij het schelen, ze zoeken het maar uit, God zoekt het maar uit … . Weest waakzaam. U weet: de zomer is in aantocht. Maar u weet niet: de dag en het uur, of het nu ’s avonds is, of middernacht, bij het hanengekraai of ’s morgens vroeg. De nacht: Jezus sluit aan bij ons gevoel, het gevoel van donkerte en dreiging, het gevoel van de nacht. De nacht: Jezus sluit aan bij zijn eigen lijdensweg. Steeds spannender wordt het: wanneer zal Zijn macht, Zijn heerlijkheid zich manifesteren? Is het ’s avonds, als een van zijn vrienden Hem verraadt? Is het middernacht, als hij ondervraagd wordt door de hogepriester? Is het bij het hanengekraai als een van de resterende vrienden hem verloochent? Is het ’s morgens vroeg, als hij wordt overgeleverd aan Pilatus? Zijn macht, Zijn heerlijkheid heeft zich niet gemanifesteerd, niet toen, niet zoals wij het zouden verwachten … . De nacht werd dag, de dag werd dagen, tot op de 3e dag … . Wie had dat verwacht? Wie had op dat wonder durven hopen?

Tussen weten en niet weten. Hoe houden we het vol, zo in de tussentijd? Geloven, blijven geloven: oefenen in het midden van de gemeente. Bidden, blijven bidden … . Alert zijn, alert blijven, niet verslappen … . Maar hoe zullen we, hoe kunnen we? Tussen beide gelijkenissen in, tussen het verhaal van de vijgenboom en het verhaal van de deurwachter in staat een enkel zinnetje, tussen weten en niet weten: ‘Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen niet voorbij gaan.’ De Heer zelf tilt ons boven alle aarzelen, alle twijfel uit. ‘Waar moet het toch naar toe?’ Zo vroeg de mevrouw uit het begin van de preek. Nu, het moet naar Hem toe, of beter: Hij komt naar ons toe.

Alphendebron/021201




Print deze pagina

© 2002, KWdJ