Schriftlezing: Galaten 3: 26 – 29 en Marcus 14: 43 – 52

Thema: ‘een ontluisterend beeld’


Dorpskerk Capelle aan den IJssel Geluidsfragment: Capelle aan den IJssel, Dorpskerk - 24 maart 2013


Samenvatting van de preek:


Een paar jaar geleden zong ik mee in een Markus-passie. Dat was oefenen en nog eens oefenen, herhalen, keer op keer. Steeds weer kwamen we dat curieuze detail tegen in het Markus-evangelie: niet de discipelen die Jezus alleen laten, de een na de ander; maar die man, die jonge man, een jaar of zestien misschien, die Jezus gevolgd (letterlijk: mee gevolgd, alsof hij nog geen zelfstandig volgeling van Jezus was) is. Hij ziet wat er gebeurt. Judas die op Jezus tegemoet treedt, als hoofd van een bende mannen. De kus die Judas geeft. De schermutseling die volgt, als iemand het oor van een slaaf van de hogepriester eraf slaat. De woorden van Jezus over het onverhoedse, laffe, van de aanval: dagelijks, bij daglicht, verkeerde hij in de tempel, toen durfden ze niet; nu het donker is, nu durven ze wel: kan dit het daglicht wel verdragen? Als de discipelen weggaan, wegvluchten, lijkt deze ene jonge man te aarzelen: zal hij bij Jezus blijven, of vluchten, net als de anderen? Ze grijpen hem, hij dreigt te worden gepakt, maar dan gaat hij er toch vandoor. Ze grijpen … mis. Ze grijpen slechts een hemd, een doek, een laken, wat het dan ook geweest is. De jonge man rent in zijn blootje weg. Hij weet zich het vege lijf te redden. Wat betekent dit? Waarin ligt het evangelie van deze vreemde verzen?

Op het gevaar af, dat ik de clou direct verklap, eerst een nuchtere, feitelijke verklaring. Hoewel, nuchter, feitelijk: veel berust in dit verband op veronderstellingen, gissingen. Om te beginnen valt het op dat alleen Markus deze passage in zijn evangelie heeft opgenomen. Zou het iets met hemzelf te maken kunnen hebben? Er is wel gezegd: Jezus heeft de maaltijd, het pascha gevierd in het huis van Markus’ ouders. Markus is gaan slapen, wakker geworden van het rumoer bij het vertrek van Jezus en zijn discipelen, en hen achterna gegaan. Hij had zijn nachthemd, pyjama nog aan: een laken met een speld vastgezet. Hij was nieuwsgierig, gelokt door het avontuur. Of misschien is het nog wel wat verder gegaan, en was ook hij geboeid door Jezus’ boodschap. Markus zou op deze manier zichzelf in het evangelie verstopt hebben, op een cruciaal moment. Het heeft iets van een foto, gemaakt met de zelfontspanner; van de schilder die zichzelf afbeeld, zoals Rembrandt dat menigmaal heeft gedaan; van de dichter die zichzelf nadrukkelijk in zijn gedicht heeft opgesloten, zoals Revius in zijn ’t Zijn de Joden niet, Heer Jezus, die u kruisigen, maar ik …’. Wie vraagt: wat is het bewijs voor dit alles, die moet ik teleurstellen. Een sluitend bewijs valt niet te geven. Uitleggers hebben ook wel andere namen genoemd, van discipelen uit de naaste omgeving van Jezus: Johannes, Jacobus (de broer van Jezus). Ook aan Petrus is gedacht. Maar in al die gevallen is de vraag: waarom is deze man dan zo schaars gekleed? Laten wij het daarom voorlopig maar eens op Markus houden, wie dat dan ook verder precies geweest is. Wij hebben dan dat spookachtige tafereel voor ogen, in die donkere hof van Getsemane, de man die wegrent, naakt, letterlijk en figuurlijk met lege handen, met niets om het lijf. Maar ook dan blijft de vraag: waarom staat het in de Bijbel? Is het een soort van handtekening van Markus, een wat bleek, ontwapenend zelfportret? En, nogmaals: wat wil dat dan zeggen?

Ik maak een omtrekkende beweging aan de hand van twee woorden: allen en alleen, een letter verschil. Dit evangeliegedeelte zegt iets over allen, over de discipelen, over ons. En het zegt iets over degene die alleen overblijft, over Jezus.
Allen, de discipelen. Zij hadden en hebben hoge verwachtingen. Ze hebben Jezus’ macht gezien: het genezen van zieken. Ze hebben ondervonden wat zijn wijsheid vermocht: hij lokte mensen uit de tent, uit een vervallen hutje ergens achteraf, uit een peeskamertje op de wallen, uit een exclusief appartement in het centrum. Ze hebben Jezus’ gezag ervaren: de wijze waarop hij omging met strikvragen, met Farizeeën en Sadduceeën en al die andere groepen. De discipelen hebben zich een beeld gevormd: Hij is het die Israël bevrijden zal. Allen, ook wij, hebben een beeld van Jezus gevormd. Iemand zei ooit eens tegen mij: ik heb lange tijd gedacht dat geloof een soort van garantie was, totdat … .
Dat beeld, dat uitzicht, dat panorama, versplintert als glas bij een harde klap: in een klap is het heerlijke uitzicht verdwenen. Jezus wordt verraden, gevangen genomen. En er gebeurt niets! Geen macht, geen wijsheid, geen gezang, niets! Hij ondergaat het allemaal gelaten. Zoals iemand ooit zei: juist in deze moeilijke tijd had ik iets van God verwacht, iets willen ervaren, maar wat ik vond was … leegte.
Allen vluchten ze. Waar zijn Jakobus en Johannes, waar zijn de zonen van Zebedeüs, waar zijn die stevige, potige vissers die zelfs nog hadden durven vragen: wie van ons mag naast U zitten, ter linkerzijde en ter rechterzijde? Waar is Andreas en vooral ook zijn broer Simon, Petrus, de eerste, altijd het hoogste woord: ‘al moest ik met u sterven, ik zal u niet verloochenen’?
Allen vluchten. Waar zijn wij in de confrontatie met het lijden van Christus, met Zijn kruis? Ik wil daarbij een paar, wat associatieve opmerkingen maken. a) In evangelische kringen is de lofprijzing soms zo overheersend dat in het licht van Pasen al het andere, in het bijzonder het lijden, helemaal onder tafel wordt geveegd. Als je goed gelooft, dan zal het je goed vergaan. Het is een theologie van de overwinning in plaats van een theologie van het kruis. b) Wat zegt u bij de weg die Jezus gaat? Het is makkelijk om naar een ander te wijzen, naar predikanten, hoogleraren die het verzoenend lijden en sterven van Jezus niet meer zouden belijden. Maar valt er bij onszelf dikwijls ook geen grote verlegenheid te ontdekken? Het kleine kind zegt het al: ‘zelluf!’ Het kleine kind leert van jongs af aan zelf keuzes te maken, zelf verantwoordelijk te zijn. Hebben wij wel een ander nodig die voor (in plaats van) mij lijdt, die mijn schuld wegdraagt? Accepteren we dat? c) Wie geregeld in de gemeente, de kerk – het lichaam van Christus – verkeert, weet maar al te goed dat de boodschap niet altijd overkomt, dat het lang niet altijd aanspreekt. Iemand zei: je moet veel van de kerk houden als je erin werkt. Houden wij van die kerk, houden we het vol, of lopen we bij het minste of geringste weg? d) Ik trek de cirkel nog wat wijder. Als iemand ernstig ziek wordt, bij relatieproblemen of zelfs bij een scheiding: durven wij dan te vragen hoe het gaat, houden we bezoek vol, ook na vele jaren?

Allen. Alleen. Het risico is groot dat wij het lijden, de kruisdood, maken tot een zaak van de psychologie, en als het om mensen onderling gaat van de sociologie. Allen. Alleen. Jezus moet deze weg alleen gaan, slechts alleen kan Hij het volbrengen. In ons onvermogen, blijkt Gods vermogen. In onze onmacht, blijkt Gods macht. Terwijl wij de gemeenschap verbreken, weglopen, zal God ons roepen en gemeenschap stichten. Juist in het kruis, juist in die vreemde weg wil Paulus ook in de Galatenbrief roemen, juist in de prediking van het kruis wordt een gemeente gesticht en (op)gebouwd. Juist die weg moet Jezus alleen gaan, op die weg kunnen wij niet helpen.
De jonge man in het evangelie, laten we hem maar Markus noemen, laat ons zien wat de uiterste consequentie is van de vluchtende discipelen, de vluchtende leerlingen. Hij toont ons de naakte waarheid. Het is een ontluisterend beeld. Markus is geen man van het eerste uur, geen echte discipel, maar toch geboeid geraakt, als het ware meegenomen door Jezus. Hij laat zien, dat wij uiteindelijk niets hebben om ons op te laten voorstaan, niets om ons achter te verschuilen. We worden teruggeworpen op onszelf. Dit zijn wij. Zo staan wij voor God: naakt.
Zo hoeft het echter niet te eindigen. Paulus wijst ons het vervolg van de weg. Wij worden in Jezus gedoopt, ondergedompeld. Met Gods kracht worden wij opnieuw bekleed, met Hem bekleed, die die weg vóór ons is gegaan, die er voor ons aan ten onder is gegaan.
Dank je Markus, dat wij vandaag een glimp van je mochten opvangen (zo herkenbaar!) en door jou een glimp van God. Dank u Jezus, dat U Uw weg ten einde toe gegaan bent, ons tot heil.

Alphendebron/040404
Capelle aan den IJssel/130324 geluidsfragment


De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (5.1 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.


Print deze pagina

© 2004, KWdJ