Schriftlezing: Marcus 16: 1 – 8

Tekst: ‘want zij waren bevreesd’ (8-slot)

Wat maakt het evangelie het ons soms moeilijk. Het had zo simpel kunnen zijn. Als de vrouwen nu bij het graf gewoon eens waren gaan zingen, ‘De Heer is waarlijk opgestaan’, ‘Sta op, een morgen ongedacht’ of ‘Christus, onze Heer, verrees’. Of wat er in die tijd dan ook maar aan lofliederen bestond. Maar ze zingen niet. Huilen doen ze evenmin. Ze vluchten weg van het graf, bevend, bang, angstvallig hun mond houdend. Daar eindigt het evangelie mee. Wie dat vreemd vindt, bevindt zich in goed gezelschap. De vroege kerk heeft Markus willen verbeteren, een stukje toegevoegd, dat in onze Bijbels tussen [ ] is geplaatst. Want vreemd is het toch wel: dat angstige, dat vluchtige, dat boezemt bepaald geen vertrouwen in. Als dat de laatste woorden, de trefwoorden zijn in dat boekje van Markus over Jezus, angst, vrees, … . Hoe zit dat?

Het verhaal begint met enkele vrouwen, met name genoemd: Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salomé. Ze wilden nog iets voor Jezus doen. Ze hadden het gevoel dat het zo nog niet af was. Door alle haast bij de begrafenis enkele dagen tevoren hadden ze niet echt afscheid kunnen nemen. Daarom hadden ze samen bedacht: laten we hem balsemen, dát kunnen we nog voor Hem doen. Het was een teken van hun liefde en zorg. Tegelijk was het ook naïef en onbezonnen. Wie zal die grote steen … ? Daar hadden ze tevoren in hun ijver nooit aan gedacht. Datgene wat ze doen is allemaal zo begrijpelijk zo goed voorstelbaar. Daar gaan ze, wat pratend, nog een keer begint een over de steen …, met gebogen hoofd. In alles drukken ze uit, hoe verdrietig en verslagen ze zijn.
Als ze dan aankomen, kijken ze op: hun houding verandert. Als in een flits zien ze, wat er gebeurd is: de steen is terzijde gerold. Pas dan lijkt ook echt tot hen door te dringen, hoe ontzagwekkend groot de steen is, hoe groot het probleem zou zijn geweest om die opzij te rollen. Op dat moment begint er een gevoel van verbazing, verbijstering zelfs op te komen. Dat gevoel zal steeds sterker worden, steeds groter, tot ze uiteindelijk niet anders kunnen en willen dan wegvluchten.

Wat verwachten ze eigenlijk, als ze het graf binnengaan? Ik denk: toch wel het lichaam van Jezus. Nog steeds. Wat zouden ze er anders van moeten denken? Maar dan treffen ze een jonge man aan. Misschien hebben ze eerst nog wel goed gekeken: nee, dat is Jezus toch niet. Het maakt het des te onbegrijpelijker. Gelukkig is er begrip, de onbekende man benoemt hun situatie: jullie zoeken Jezus, de gekruisigde, jullie zoeken een dode. Maar nee, Hij is opgestaan, Hij is niet hier. Dat laatste is een dorre, droge constatering. Maar tegelijk is het ook verkondiging. Het moet steeds weer herhaald worden. Het is zo ongelooflijk, zo in strijd met onze ervaring. Hij is niet te vangen in een graf, Hij laat zich niet opsluiten door de dood. Niet de dood regeert over de schepping, die eeuwige kringloop van dood en leven, maar Hij, maar God. Hij is hier niet. De vraag, waar Hij dan wel is hoeven de vrouwen niet eens te stellen. Hij wordt op voorhand beantwoord. De leerlingen, met name Petrus, zij moeten het horen. Met name Petrus, degene die Hem heeft verloochend (ik, nee ik zal U niet verloochenen, ik zal met u sterven …), die daarmee een grote schuld op zich geladen heeft, juist hij moet weten, dat niet hij, niet zijn cruciale fout het laatste woord heeft, maar God. Ze moeten naar Galilea gaan. Ik beluister in die opdracht: ze moeten teruggaan naar het begin, naar die plaatsen en momenten waar Jezus in woorden en daden zovelen het leven (terug) gaf. Hij is hen voor(uit) gegaan. Jezus volgen is dan: zoeken waar zulke dingen in Gods naam gebeuren: waar een beschadigd mens heel wordt, omdat Hij Gods liefde ervaart; waar de storm in een mensenleven gestild wordt, in rustig vaarwater komt; waar een arme niet meer in de marge verkeert en steeds weer achterop loopt, maar een streepje voor krijgt in het maatschappelijk leven; waar een mens zijn zonden vergeven worden, zodat hij op kan staan en weer verder kan met zijn leven.

Als dat gezegd is, keren ze zich om. Ze hebben het niet meer. Ze houden het niet meer. Ik zie ze zich omkeren, bijna over elkaar heen vallen, dringen om door de nauwe opening naar buiten te komen. Ze zetten het op een rennen. Weg van hier! Verschrikkelijk, zo bang zijn ze nog nooit geweest. Weg van hier! Ze durven niemand iets te zeggen. Ze zijn diep geschokt. Hoe kan het ook anders. Ze hebben een gepijnigd, gefolterd, gebroken lichaam in een graf gelegd. En dat lichaam, die Jezus, zou zijn opgestaan?! Het kan niet anders, dan dat heeft een stroom aan gedachten en gevoelens opgeroepen. Een niet kunnen begrijpen, een niet kunnen vatten van die opstanding als zodanig: waar is dat lichaam toch gebleven? En als Hij is opgestaan, waar is Hij dan nu? En als God dat kan, als zelfs de dood Hem ten dienste staat, hoe groot is dan Zijn macht? Duizelingwekkend … . Verbazing, verwondering, vragen, steeds meer vragen … . Wat een energie, wat een kracht komt hier vrij. Tegelijk: dit is voor mij vele malen overtuigender, dan paasliederen zingende vrouwen, veel reëler. Nu al, zo snel al lofliederen, dat zou net iets te mooi zijn, net iets te ver van ons leven. Dit ruwe, dit groffe, onaffe, dat staat veel dichter bij de werkelijkheid.

Zeven mensen leggen vanmorgen belijdenis af van hun geloof. Voor elk van hen geldt: er waren vragen, en ze zijn er nog. Voor elk van hen geldt: ze zijn geraakt door het getuigenis van de Bijbel, van de levende Heer, van de Heer die alle destructieve krachten in het leven overwinnen kan, zelfs de zonde in haar uiterste consequentie, de dood. Voor elk van hen geldt: ze zijn op het spoor gezet van de levende Heer, net als de vrouwen daar op die vroege paasmorgen, ze willen Hem zoeken, volgen in hun leven. Ze willen zich voegen in het grote koor van de gelovigen die vandaag samenkomen en het meezeggen en meezingen: de Heer is opgestaan, de Heer is waarlijk opgestaan! Hij leeft!

Alphendebron/040411



Print deze pagina

© 2004, KWdJ