Schriftlezing: Marcus 1: 14 – 20

Thema: Bij name geroepen

Hebt u roeping? Toen mij die vraag ruim een jaar geleden onverwacht gesteld werd, voelde ik me wat ongemakkelijk. Waarom wil iemand dat weten? Ik kende de vragensteller amper en ik vind het een nogal persoonlijke vraag. Het kan dan iets weg hebben van een test: kun jij er als voorganger mee door? Nadat de vraag gesteld was, gingen er in een flits tal van gedachten door me heen. Mijn eerste reactie was: natuurlijk heb ik roeping, anders zou ik hier op dit moment niet zitten. Maar ook: wat is roeping eigenlijk, een stem uit de hemel, plotsklaps? Of kan het ook een bepaalde reeks van gebeurtenissen zijn die tezamen langzaam uitlopen op een keuze? En verder: is roeping iets exclusief voor geloof en kerk, voor ambtsdragers, of kan het ook veel breder zijn, kun je bijvoorbeeld ook worden geroepen tot ouderschap?
Hebt u roeping? Wat zou u op zo’n vraag antwoorden? Met het oog daarop lopen we de lezing van vandaag langs aan de hand van drie eenvoudige vragen: wie, wat waar?

Wie. Wie worden geroepen? Die vraag zouden we op verschillende manieren kunnen beantwoorden. We zouden bijvoorbeeld de namen kunnen noemen van het viertal, twee keer twee: Simon en Andreas, Jakobus en Johannes. Maar we zouden ook kunnen zeggen: Jezus roept vissers. Het eerste tweetal lijkt van eenvoudige komaf, zij hebben zelfs geen boot, ze lopen met hun netten in het water. Het andere tweetal lijkt in betere doen. Hun vader bezit een boot, heeft dagloners in dienst. Nog weer een andere benadering is: hoe het ook zij, het zijn ergens strandfiguren, randfiguren, bepaald geen uitgelezen gezelschap. Deze mannen zijn ruw in de mond, recht voor zijn raap, niet zo afgewogen als wij wel zouden willen. Jezus kiest wie en wat voorhanden is om het/hem/haar in dienst te stellen van het Koninkrijk. Denk ook aan de gelijkenissen. We kunnen vermoeden dat Jezus net als zijn omstanders een boer heeft zien gaan, al zaaiend over het land. Vervolgens gebruikt hij dat beeld in een gelijkenis: het Koninkrijk Gods is gelijk aan een zaaier … .

Wat. Wat gebeurt er? Ook in dat opzicht is er verschil tussen de beide tweetallen. Tot Simon en Andreas zégt Jezus iets: hé, jullie daar, kom achter mij aan. In het andere geval róept Jezus de beide mannen, Jakobus en Johannes. Zeggen, dat betekent dat je elkaar in het oog hebt, dat je vlak bij elkaar bent, het is het gewone gesprek. Roepen, dat is per definitie veel krachtiger, dat is ook vaak weg-roepen. Gisteravond zat ik achter de computer toen ik geroepen werd: het eten is klaar. Ophouden met waar ik mee bezig was. In beweging komen, gaan eten (in dit geval). In roepen ligt vaak iets van keren, bekeren, omdraaien, een andere weg inslaan. Jezus heeft nog maar net gepredikt: ‘bekeert u, en gelooft het evangelie’ en hij begint te roepen. De inhoud van de roep valt samen met de inhoud van de prediking, de roep is alleen veel persoonlijker. De mannen gaan vervolgens achter Jezus aan. Ze vergezellen Hem. Ze verbinden hun leven met Zijn leven, hun lot met Zijn lot. Dat is nogal wat, zeker omdat we kort tevoren hebben gehoord, hoe riskant het allemaal is. Johannes de Doper is nog maar pas overgeleverd … . Toch gaan ze, zomaar, ‘terstond’ – haastig, alles zonder vragen achter zich latend. Dat maakt het voor ons moeilijk (be)grijpbaar.

Waar. Waar gebeurt dit? Midden in het dagelijks leven. Het kost de een meer dan de ander, zo lijkt het. Simon en Andreas hoeven alleen maar uit het water te stappen. Jakobus en Johannes moeten uit een boot komen. Zij moeten veel meer opgeven. Ook hun vader wordt met name genoemd. Zo groot is de kracht van Jezus blijkbaar, dat Hij die sterke krachten van werk en familie zomaar kan doorbreken.

Hebt u roeping? Als ik mezelf leg langs de meetlat van dit evangeliegedeelte, langs het wie-wat-waar, dan is het antwoord drie keer nee. Ik lijk niet op de vissers, ik hoor tot een keurige middenklasse. Ik heb niet direct een stem gehoord, pats-boem, ik ben niet zo weggeroepen. Ik heb mezelf niet in het midden van het dagelijks leven omgekeerd. Het is allemaal langzaam gegroeid.
En toch … . Toch geloof ik dat ik roeping heb. De Heer is mij op Zijn weg tegengekomen. Als de kinderbijbel openging. Als ik in de kerk zat. Op een reis naar Taizé. In boeken die ik las. En als ik eerlijk ben, dan heb ik Zijn stem gehoord in de roep van meer dan één kerkelijke gemeente. Ik heb mijn leven verbonden met het Zijne, met de gemeente, deel van Zijn lichaam. En toch, toch ben ik uit het alledaagse leven weggeroepen. Ik had ook iets heel anders kunnen gaan doen. Het evangeliegedeelte is in die zin een voor-beeld: niet om na te apen, maar om te inspireren, een weg te wijzen, te kunnen duiden. Bij dat alles komt nog iets. Roeping is niet iets eenmaligs. Het begint wel ergens, maar dat ligt ver voor mijn geboorte. Toen heeft God in Jezus Christus al ja tegen mij gezegd, mij bij name geroepen: jij mag er zijn, jij mag leven. Roeping keert vervolgens steeds weer terug. Ook de discipelen ervaren dat. Zij worden steeds weer tot de orde geroepen.
Hebt u roeping? Sommigen mensen zeggen dan: de dominee, die heeft het gemakkelijk, dat is toch iets anders dan het gewone dagelijks leven. Zorg, verpleging, andere mensen helpen, dat heeft ook nog wel iets van een beroeping. Maar al het andere, dat is toch niet meer dan een beroep. Achter de computer, timmerman, autoverkoper. En toch … . Ook u bent geroepen. In de eerste plaats tot de gemeente, om daar mee te doen, in de eredienst, in andere groepen, uw stem te laten horen, uw handen te laten wapperen. In de tweede plaats in alle andere bereiken van het leven: gezin, werk, school, wat dan ook. Dan kan het best eng zijn om naar voren te stappen, te laten merken dat uw leven met Zijn leven verbonden is. Tegelijk: Hij roept nadat Hij Zelf verzocht is in de woestijn (vergelijk de voorafgaande verzen in Markus 1). Hij roept, Zelf wetend hoe moeilijk het kan zijn Zich helemaal aan Zijn Vader over te geven.

Alphendebron/030126




Print deze pagina

© 2003, KWdJ