Schriftlezing: Marcus 1: 21 – 39

Thema: Sabbat in Kapernaüm

Een sabbat in Kapernaüm. Een dag uit het leven van Jezus, of beter: een etmaal, 24 uur uit het leven van Jezus. Het is bijzonder dat we Jezus zo op de voet kunnen volgen. Het evangelie is meestal veel fragmentarischer. Het begint in de synagoge, met een scène, een opstootje rond een verwarde man, bezeten door een boze geest. Later op de dag ontmoeten we de schoonmoeder van Simon en Andreas, met hoge koorts te bed. Als dan de sabbat voorbij is – de sabbat eindigt als de zon onder is en drie sterren aan de hemel staan – dan komen nog vele andere zieken tot Jezus, en Hij geneest ook hen. Als een soort van toegift lezen we dan nog, dat Jezus de volgende morgen vroeg een eenzame plaats opzoekt, om te bidden. Als de discipelen Hem dan vinden, dan doen ze een krachtig beroep op hem. Ze kloppen stevig op zijn deur, maar Hij geeft niet thuis. Hij weigert te komen, te doen wat zij vragen. Daar zit voor mijn gevoel de angel van dit evangeliegedeelte. Daar prikt het, doet het pijn. Waarom gaat Hij toch, terwijl Hij zo nodig is?! Velen worden beter, maar anderen niet. Waar ligt het geheim van deze Heer?! Vragen bij een ver verleden, die doorechoën tot in het heden. We zouden Jezus, God, welk door elkaar willen schudden, aan Hem willen trekken, willen roepen en schreeuwen: waarom?! Of zijn we dat allang verleerd?

Ik loop de lezing door en sta stil bij een paar dingen die opvallen. Tot slot komen we dan op de heftige vragen terug.
Wie de ‘ins and outs’ van de tekst leer kennen, die ontdekt dat het evangelie getuigt van een grote dynamiek. Ins and outs: in en uit. Jezus gaat in in Kapernaüm – zo nadrukkelijk staat het er in het Grieks – Hij gaat in in de synagoge. En als Jezus zegt: ga uit uit van hem dan gáát de boze geest uit uit van hem. Een beweging als van een wervelwind, een beweging die nog eens wordt versterkt door het voortdurend gebruik van het woordje ‘terstond’: terstond op de sabbat naar de synagoge, terstond uit de synagoge naar het huis van Simon en Andreas … . Het kan allemaal geen uitstel verduren, laat staan afstel. Druk, vanuit Jezus, vanuit de mensen: ze dringen zich ’s avonds op aan zijn deur.
Het tweede wat opvalt is iets dat Markus hier nu juist níet lijkt op te vallen (elders wel): genezingen op sabbat. Markus beschrijft het alsof het vanzelfsprekend is. Hoewel: de meest mensen kom ’s avonds, als de sabbat voorbij is. Jezus geeft hier een beeldende uitleg van het vierde gebod, het vierde woord (volgens Deuteronomium 5): gedenkt de sabbat, want u zult gedenken dat u dienstknechten, slaven, bent geweest in Egypte én dat de Heer u vandaar heeft uitgeleid. Dienstknechten, slaven, dat zijn ze geworden, die man en die vrouw in Kapernaüm, gebonden door hun ziekte. Zonde, ziekte, dood: bijbelse begrippen die bij elkaar horen, gebeurtenissen die een mens in hun greep kunnen hebben. Jezus bevrijdt de mens daarvan. Van de man wordt letterlijk gezegd dat hij ‘in’ een boze geest was, alsof een geest buiten om hem heen hem gevangen hield. Van de vrouw, de schoonmoeder wordt verteld dat de hoge koorts haar verliet, alsof het in haar zat, alsof het haar hele lichaam had aangetast, beheerste.
Dat brengt ons bij een derde punt. Twee genezingen, twee volstrekt verschillende verhalen die elkaar aanvullen. Man en vrouw: samen staan ze voor de mens, het beeld Gods, Gods ideaal. De geest om de man heen, de koorts in de vrouw. De een uit zich publiek, de ander wordt in haar privé-domein bezocht. De geest van de man spreekt, de vrouw zwijgt: er wórdt over haar gesproken. Van de man horen we vervolgens niets meer, de vrouw dient hen (Jezus en de discipelen). Terzijde nog dit. De vrouw wordt voor ons gevoel misschien wel wat snel weer een dienende rol aangemeten. Bedenk dan wel, dat dit dienen in het Markus evangelie alleen gebruikt wordt voor vrouwen en engelen. Het lijkt erop, dat de mannen aan dit dienen in het geheel niet toekomen. Het lijkt erop, dat de dienende vrouwen gelijk gesteld worden met engelen.
In de vierde plaats lijkt het erop, alsof het einde van de dag heel logisch verloopt: de zon gaat onder, de sabbat is voorbij. Maar nergens in het directe vervolg lezen we, dat de zon weer opgaat. Dat hoeft natuurlijk ook niet, er zijn tal van manieren om aan te geven dat er een nieuwe dag begint. Maar het is dan wel frappant dat we juist horen dat de zon opgaat als de vrouwen zich aan het eind van het evangelie gereed maken om op weg te gaan naar het graf (Markus 16). Toeval? Wie zal het zeggen. We zouden ook kunnen zeggen: al wat zich er tussenin bevindt, bevindt zich in het schemer, in het donker. Als het om Jezus zelf gaat, zegt de geloofsbelijdenis: nedergedaald ter helle. Wij denken: de een wordt genezen, de ander sterft. Het dringt zich onontkoombaar aan ons op. Waarom? Dat is het worstelen, het vragen, het ervan-wakker-liggen in de stille nacht.
Als Jezus zich dan de volgende morgen vroeg terugtrekt, dan gaan Simon en de andere discipelen naar Hem op zoek. Ze áchtervolgen Hem. Jezus roept de mensen op om Hem te volgen. Dit gaat echter veel verder. Het wordt áchtervolgen, als een jager die op een prooi jaagt, het dier in een hoek drijft. Totdat ze Hem hebben. ‘Allen zoeken u.’ Onbegrip, verwijt. U begint het net te ‘maken’, wat doet u nu?! Het klinkt heel positief, overtuigd. Maar het heeft tegelijkertijd iets dubbelzinnigs. Het is natuurlijk prachtig, die aanhankelijkheid, maar het kan verkeren: ze moeten Hem hebben, ze zullen Hem te pakken nemen. Als Hij niet doet wat zij willen, als Hij niet doet wat de mensen willen … . Heden Hosanna, morgen kruisigt Hem.
Tot slot is het goed een streep te zetten onder Jezus antwoord, zijn verweer: om te prediken ben ik uitgegaan (N.B.: weer dat spelen met in/uit!). Elders vertelt Markus wat dat betekent: vertellen dat de tijd vervuld is, het Koninkrijk Gods nabij gekomen is, de mensen oproepen tot bekering en geloof. Ergens weten we ook wel, dat het daarmee en daar om begonnen is. Maar toch. Dan denken we aan die mooie verhalen uit de kinderbijbel, aan het beeld dat uit die verhalen oprijst.

Waar is Hij nu, die Jezus? We hebben Hem zo nodig! Met die gedachten begonnen we vanmorgen. Het evangelie wijst ons een weg met die vraag, die constatering. De prediking staat voorop: het Koninkrijk Gods is nabij, met andere woorden houd goede moed! Voor wie zit te somberen, voor wie pessimistisch is ingesteld, voor wie niet gelooft: bekeer je! En die wonderen dan? Die zijn illustratie, een plaatje bij een praatje, oneerbiedig gezegd. Die wonderen op de sabbat, ze vertellen in hun eigen taal, in hun eigen beelden: de God die Israël eens uit Egypte, uit de slavernij bevrijdde, Hij bevrijdt opnieuw. Zo mogen ook wij getuigen zijn van hoopvolle tekenen. Iemand die opkrabbelt na een periode van ernstig verdriet. Iemand die gezond terugkomt uit het ziekenhuis. Een gebeurtenis die hoop geeft dat het toch niet tot oorlog hoeft te komen in en rond Irak. De ervaring, dat de schuld, een misstap, zonde uit het verleden mag worden afgelegd. Maar daarnaast is er die nacht, dat onbegrijpelijke, dat wat niet te bevatten is: de een geneest, voor de ander lijkt Jezus weg te lopen. In die nacht kunnen we gemakkelijk verdwalen. We kunnen God soms wel aanvliegen, ter verantwoording roepen. Uiteindelijk telt in die nacht slechts één ding: dat eens de zon opgaat, ís opgegaan. Dit biedt houvast, dat biedt een lichtpuntje. En in de tussentijd? In de tussentijd is het zaak dat we zo goed mogelijk voor elkaar zorgen. We moeten het immers wel kunnen volhouden. De spanningsboog is immers soms wel erg groot, of erg strak gespannen. Dan moeten we voor en met elkaar de hoop, de verwachting levend houden op die nieuwe dag dat eens alles anders zijn zal.

Alphendebron/030209




Print deze pagina

© 2003, KWdJ