Schriftlezing: Mattheüs 4: 12-23 en 9: 35 – 10: 2

Tekst/thema: ‘zag Hij’ (4: 18)

Samenvatting van de preek:

Wat is het dat deze jonge vissers in beweging zet? Er komt een man, een voor hen volslagen onbekende, Hij spreekt een paar woorden, en ze komen in beweging. Hoe we onze camera ook in proberen te laten zoemen, hoe we ook proberen het beeld scherp te krijgen, het lukt niet, het blijft wazig en onscherp. Of het moet zijn dat Jezus begint met deze mannen-vissers te zien. Later ziét Hij de tollenaar Mattheüs en zegt: volg Mij. Jezus ziét de vissers met hun dagelijkse werkzaamheden: netten uitgooien en herstellen, dag in dag uit.

< In de dienst volgen op de beamer enkele minuten van de film 'Il vangelo secondo Matteo' van Pier Pasolini (1964), aansluitend bij de gelezen evangeliegedeelten uit Mattheüs. Pasolini laat de spelers in de film nauwelijks meer zeggen dan in het evangelie zelf. Het komt aan op de beelden. Pasolini richt zich in het bijzonder op de gezichten, op het zién.>

Jezus ziét. Met dat eenvoudige gegeven begint het. Jezus ziét, ziet de vissers met hun typische vissersbezigheden. De eersten spreekt Hij daar concreet op aan: ‘Ik zal jullie vissers van mensen maken.’ Anderen roept Hij slechts. In dat zién zou wel eens de sleutel kunnen liggen. Een mens beseft dat Hij gezien wordt, gepeild, gekend, in het diepste van zijn bestaan. In het werk dat ik doe, in al mijn blijdschap, in de last die ik met me meedraag. In het gezin waar ik ben opgegroeid, in de warmte of juist in het kille klimaat dat daar heerste. In de relatie die ik ben aangegaan, in mijn huwelijk, met mijn man of vrouw. In mijn grote en kleine vreugdes, in mijn angsten, hoe diep ik die soms ook heb weggestopt. Als Jezus ziet, mij ziet, dan ziet Hij mijn diepe verlangen naar God, dan raakt Hij mij zelf, mijn diepste zelf, mijn kwetsbaarheid. Dan is nog maar een enkel teken nodig, een woord, een naam, genoeg om te gaan … . Zo begínt het.

Vervolgens horen we dat Jezus rondgaat in Galilea: Hij leert in de synagoge, Hij verkondigt het evangelie van het Koninkrijk, Hij geneest zieken. Wij zouden zeggen: het belangrijkste staat vooraan – het leren in de synagogen. Dat is echter niet waarschijnlijk. Vermoedelijk staat het belangrijkste in het midden: de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk. Daar draait het letterlijk om. Die verkondiging wordt gesteund door en uitgewerkt in die twee andere dingen: leren en genezen. Het draait dus om de verkondiging, het kond doen, van het Koninkrijk. In het Griekse woord zit het woord heraut opgesloten: die komt het nieuws brengen. Tegenwoordig zouden we een persconferentie geven, een advertentie zetten, reclame maken … Het Koninkrijk van God, de wereld waar God heerst, waar dat gebeurt wat Hij wel, waar alles ‘goed’ is, je ziet, je hoort, je voelt, je ruikt, je proeft het nog niet, integendeel vaak, maar het ís hier, vlakbij!

Mattheüs laat het zien in zijn evangelie: leren en genezen, Woord en daad. Eerst horen we hoe Jezus leert in de bergrede (hfst. 5-6-7), daarna zien we hoe hij zieken geneest (hfst. 8-9). Als we van dat alles kennis hebben kunnen nemen, dan vertelt Mattheüs in vrijwel dezelfde bewoordingen, dat Jezus rondgaat in Galilea, leert en geneest. Vanuit de zending van de Ene, van Jezus, gaat het vervolgens om de zending van de velen. Eerst focussen zij op Israël, aan het slot van het evangelie op alle volkeren van de aarde. Het is als een golf die steeds groter en breder wordt, waarin uiteindelijk heel de schepping wordt meegenomen.

Jezus ziet. Nog steeds. Wij als Zijn leerlingen zien. Hoe kunnen we dat zien vormgeven? Ik ga in gedachten naar de braderie die over een paar maanden, op 5 april, gehouden wordt. Hier in de bovenzaal is het rad van avontuur. U hebt overal al rondgekeken, bij de boeken, de kleding, het meubilair, de potten en vazen … . U hebt van alles gekocht wat u eigenlijk niet wilde kopen, u hebt op de quilt ingetekend en bent gaan zitten voor een kopje koffie. Om u heen wordt steeds weer gevraagd of u nog lootjes wilt kopen voor het rad. Het is druk! U zit aan een tafeltje bij iemand die u helemaal niet kent, een vrouw van naar schatting zo’n 60 jaar. U was het niet van plan, maar u raakt aan de praat. Op een gegeven moment hoort u uzelf zeggen: ‘Vreemd eigenlijk zo vandaag, morgen hebben we (!) in deze zaal weer een kerkdienst.’ Daarop antwoordt de vrouw: ‘Ik heb niets (meer) met de kerk. Ik heb in mijn leven veel mee gemaakt. Mijn geloof is door de jaren heen veranderd. Ik ben opgevoed met een strenge God, Iemand die de schapen en de bokken scheidde, van ‘velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren’. Nu denk ik breder. God is te vinden in alle godsdiensten, het maakt niet uit welke. Het gaat erom dat God liefde is. Als ik in Saoedi-Arabië geboren zou zijn, zou ik moslim zijn geweest.’ Vervolgens bent u aan zet. Hoe kunt u nu aan de ander laten merken dat u haar gezién hebt, dat Jezus haar gezien heeft?
Vaak blijft een laatste zin hangen. In dit geval: ‘Als ik in Saoedi-Arabië geboren was …’. Wat heeft ze daarmee willen zeggen? Mogelijk is het een signaal: ik wil er niet verder niet over praten. Het kan ook niet meer of minder dan een dooddoener zijn. Tegelijk lijkt het heel aantrekkelijk om er op in te gaan. Bijvoorbeeld in afkeurende zin: het maakt wél uit wat u gelooft en denkt. U bent overtuigd van de waarde en de waarheid van het christelijk geloof. U geeft een geloofsgetuigenis. U kunt er ook in positieve zin op reageren: ik ben het helemaal met u eens … . Waar u ook voor kiest, de kans is groot dat het gesprek snel afgerond wordt. Van zien, van echt zién is geen sprake. Integendeel!
Hoe dan wel? Het is bepaald niet eenvoudig. Het is een kwestie van durven. Iemand gaf bij dit voorbeeld iets van zijn eigen levensverhaal, juist omdat dat omgekeerd verlopen was, van een heel open en algemene manier van geloven naar een toegespitster en specifieker geloof in Jezus Christus. Het zou heel goed kunnen dat zo’n persoonlijke opening aanleiding geeft tot verder gesprek. U zou ook heel goed kunnen vragen, hoe deze vrouw nu haar geloof gestalte geeft. Wat doet u ermee, in de praktijk? De kans is groot dat ze iets zal antwoorden als: ‘ik probeer goed te leven’. Daar kunt u dan op doorgaan: wat is dat goede, waar haalt u vandaan wat goed is, hoe weet u dat … ? Of anders kunt u iets vragen als: bidt u wel eens, welke betekenis heeft dat voor u? Gaandeweg kan door die vragen heen iets duidelijk worden van uw eigen geloof, waar u vandaag haalt wat goed is en kwaad, waar u in het leven op hoopt, wat bidden voor u betekent … . Maar let wel, pas op dat u niet gaat preken, dat het geen uitvoerig en eenzijdig geloofsgetuigenis gaat worden. Laat in de eerste plaats vooral merken dat de ander gezien is, gezien door u, gezien door Jezus. Wees in dat alles uit-nodigend.
Dan houdt het op. Vooralsnog. Dat is misschien teleurstellend. Wij hopen op een uitgewerkt recept: een beetje van dit, een beetje van dat, even wachten en hupsakee, klaar. We beseffen wel dat het zo niet werkt, maar toch … . Na het gesprek is de beslissing aan de ander, nu of – meestal – op een later moment. We moeten het loslaten, aan God overlaten, misschien op een later moment nog eens bidden om zegen … .

Wat is het nu, dat discipelen raakt? Wat zet ze in beweging? Ga bij uzelf eens na. U hebt de Bijbelse verhalen gehoord, op school, in de kerk, thuis. U hebt het voorbeeld gehad van uw vader, moeder, vriendenkring. Op enig moment hebt u het gevoel gekregen, is de overtuiging geworteld dat God ook u zag, dat Hij ook u op het oog had … . Inzoemen op dat moment kunt u misschien vruchtbaar maken in het contact met die andersgelovige: op dát moment ben ik gezien.

Alphendebron/080127



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2008, KWdJ