Schriftlezing: 1 Petrus 2: 16 – 21, Mattheüs 17: 1 – 9

Tekst: Mattheüs 17: 1 – 9

Waarom staat het gelezen gedeelte uit Mattheüs 17 eigenlijk in de bijbel? Wat helpt het ons? Wat brengt het ons, wat wij niet weten? Bij geboorte, lijden en opstanding, bij wijze raadgevingen, genezingen, daar kunnen we ons wel iets bij voorstellen … . Maar dit? Wij kunnen er niet goed bij: een hoge berg, de eenzaamheid, de hemelse sferen, de gedaanteverandering van Jezus, de verschijning van Mozes en Elia, de stem uit de wolken. Het lijkt allemaal net iets té. Wij staan met beide benen op de grond, we zijn nuchter, rationeel ingesteld.
Deze aarzelende houding komt niet uit de lucht vallen. De afgelopen weken heb ik eens wat kerkelijke gegevens op me in laten werken. We hebben tal van redenen om blij, om tevreden te zijn. Ik hoef maar te kijken naar het geslaagde project ‘geraakt door het lijden van Jezus’, opgezet rond de vespers in de veertigdagentijd. Ik denk aan gesprekken, waar iets ‘klikte’, een vonk oversprong. Daarin proef ik iets van de leiding van de Heilige Geest. Binnen een maand zijn er maar liefst drie stellen die vragen om de kerkelijke bevestiging van hun huwelijk. Maar die positieve feiten kunnen een aantal zorgelijke ontwikkelingen niet verhullen. De opbrengst bij Kerkbalans is ongeveer gelijk gebleven, rond De Bron zelfs wat beter, maar het percentage van de inflatie wordt niet gehaald. Het ledental daalt op dit moment vrij snel, procenten per jaar. Vaak misschien geen actieve leden, maar toch. Per 1 december aanstaande zullen we het definitief met één predikantsplaats minder moeten doen. Ik kan me daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de feitelijke invloed van het geloof op ons leven langzaam afneemt. Beďnvloedt het onze levenswijze, onze keuzes? Het gaat niet goed met de kerk, met het lichaam van Christus. Geen nieuws, maar soms valt het ineens zo op, hoe dat lichaam langzaam aftakelt … . Ik blijf hiermee dicht bij mezelf. Ik zou natuurlijk ook andere deprimerende situaties kunnen noemen. Een ernstige ziekte met een slechte prognose … . Beschaamd vertrouwen, een gekwetste vriendschap, boosheid, teleurstelling … . Wat doen wij dan met dat beeld van een verheerlijkte Jezus?!

Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jacobus en Johannes mee. Zes dagen na de positieve belijdenis van Petrus, zes dagen ook nadat Petrus het lijden van Jezus radicaal afgewezen had. Zes dagen later … . Lastig. Dat kan zijn op de zesde dag, maar ook op de zevende. In het eerste geval kan gedacht worden aan het loofhuttenfeest, het feest van de veilige uittocht uit Egypte, een van de grote bevrijdingsfeesten van Israël. Mogen we hier al iets proeven van Jezus’ bevrijdende uittocht, uit het rijk van dood en verderf … ?! In het geval we het toch moeten houden op de zevende dag, dan verwijst het naar de sabbat, naar de dag dat alle inspanning van schepping en herschepping achter de rug is. Zes dagen later draagt – staat er letterlijk – Jezus het drietal omhoog. Met andere woorden: wat er gebeurt, is niet uit eigen kracht! Jezus verandert van gedaante, zijn gezicht straalt als de zon, zijn kleren worden wit als licht. Eén en al verwijzing naar God Zelf. In dát licht verschijnen Mozes en Elia, Wet en Profeten. Op hun beurt spreken die met Jezus. De een kan niet zonder de ander. De ander kan niet zonder de een. Er is sprake van wederkerigheid. De Wet is de openbaring van Gods wil. De Profeten wijzen steeds weer op die Wet. Jezus vervult de Wet. Hij doet alles wat van Hem gevraagd wordt, Hij is de rechtvaardige bij uitstek. Het heeft iets van een spiegellamp. Het licht wordt versterkt door de spiegels. Zonder die spiegels zou het licht zwak zijn. Zonder dat licht zou je aan de spiegels maar weinig hebben. De verbinding van Jezus, Mozes en Elia gaat verder. Het is niet alleen hun werk, hun functie, het is ook hun situatie. Mozes beklimt de Sinaď, ook zo’n hoge berg, om de Tien Woorden te ontvangen. Elia gaat naar de Horeb voor een soort van retraite, bezinning en inkeer, terug naar De Bron, God Zelf. Bij alle drie is de ontmoeting op de berg omgeven door spanningen, door verzet tegen Gods weg. Mozes krijgt te maken me het gouden kalf. Elia wordt achtervolgd door Isébel, de echtgenote van Achab. Jezus wordt geconfronteerd met Petrus, die Zijn lijden niet waar wil hebben. Het is alsof deze episode op de berg wil zeggen: al het menselijk falen, alle zonde, alle dreiging, al het lijden, het ontneemt God Zijn heerlijkheid niet. Integendeel. In de weg van Mozes, in de weg van Elia, in die verschrikkelijke lijdensweg van Jezus gaat Gods heerlijkheid mee, als geheim dat verborgen is, begraven … . Hé, daar begint zich iets af te tekenen van de betekenis van dit bijbelgedeelte … !

Toch nog even terug naar Petrus. Petrus reageert alert, zoals we van hem gewend zijn. Hij wil drie tenten opslaan, voor Jezus, Mozes en Elia. Dit hoog verheven, die heerlijke plaatje, dat is precies wat hij wilde, verwachtte. Nog voor er enige reactie kan volgen, is daar dan die stem uit de wolk: deze is mijn Zoon …, hoort naar Hem! Met andere woorden: Petrus, leerlingen: luistert naar Hem! Laat Hem nu eens Zijn verhaal vertellen! Laten wij ons dat gezeggen? Durven wij dat een ander te zeggen? Dat moet ieder toch zelf weten?! Of is dat toch te autonoom, te individueel, te ik-gericht?! Hoort naar Hem … ! Als wij gemeente willen zijn, lichaam van Christus, dan begint het daar. Toegegeven: de bijbel is geen gemakkelijk boek. Toegegeven: het kan vaak zo verschillend worden uitgelegd. De discipelen worden bang en werpen zich op de grond. Waarom? Dit moet toch een topervaring voor ze zijn, waarom dan die angst? Dit zijn toch de stoutste dromen die een mens kan hebben, God zo dichtbij? Ze hebben er misschien onderling wel over gediscussieerd: als ik het eens van God zelf zou kunnen horen, of als ik God eens zou kunnen spreken, of als Hij eens in ons midden zou zijn … . Maar als het dan zover is … . Beseffen wij wel, wat het betekent als God in ons midden is, niet opgeborgen tussen de vier muren van de kerk of de kaften van de bijbel? Willen wij dat eigenlijk wel, dat dat zelfgenoegzame, dat autonome, wordt opengebroken, dat wij onszelf moeten prijsgeven? Bijzonder, dat kort daarna Jezus hen aanraakt: ont-roerend, meer dan eens is dát levenwekkend, genezend, heilzaam. Mozes en Elia zijn verdwenen: zij zijn immers in Jezus opgegaan.

Als ze vervolgens afdalen, terugkeren in de alledaagse werkelijkheid, als de weidse, grootse perspectieven zijn verdwenen, dan waarschuwt Jezus niet te hart van stapel te lopen: Hij verbiedt hen hierover te vertellen, totdat Hij is opgewekt. Het past niet in de lijdensweg die Hij moet gaan, het zou er alle spanning, alle kracht aan ontnemen. De weg naar het kruis is geen gelopen race! Maar voor dat selecte gezelschap, voor dat drietal ingewijden is het een teken van hoop. In de weg naar Jeruzalem ligt ook Gods heerlijkheid opgesloten.
Als dus de kerk, het lichaam van Christus, soms iets heeft van een lijdende kerk, van een zielige vertoning, als dus de onzekerheid over de zin van haar bestaan toeneemt: onthoudt dan dit, die stralende gestalte op die berg, die opgestane op de derde dag. Als dus alle hoop verdwenen lijkt bij een dodelijke ziekte … . Als vriendschap is stuk gelopen, alleen pijn en vragen overblijven … . Het heeft voor ons iets van de koning incognito: alsof zijn jasje te groot is, zijn schoenen niet passen, de kleuren verkeerd gekozen zijn, zijn haren in de war zitten, maar daaronder, daarachter verschuilt zich een stralende gestalte die spoedig helemaal zichtbaar kan worden. Soms laat zich dat al even zien: iemand die op belijdenis gedoopt wil worden, een verfrissend gesprek, aandacht van wie je het niet verwacht … . De verheerlijking op de berg: ik heb het nodig om op de goede afloop te kunnen vertrouwen!



Print deze pagina

© 2001, KWdJ