Schriftlezing: Mattheüs 17: 14 – 20

Thema: water en vuur

We kunnen vanmorgen een zucht van verlichting slaken: de discipelen kunnen de zieke niet genezen. Ook zij niet. We horen wel eens van mensen die het wel kunnen, lijken te kunnen, van gebedsgenezers bijvoorbeeld. Maar vaak zijn zulke praktijken met veel vragen omgeven. Wij willen best erkennen dat we in veel gevallen onmachtig zijn, afhankelijk, onzeker. Vooral ouders – ook de doopouders van vanmorgen – kunnen zich daar iets bij voorstellen. Met liefde, aandacht, zorg kunnen ouders een heleboel voor hun kinderen betekenen. Maar er zijn tegelijk talloze situaties waarin de machteloosheid overheerst. Als het gaat over de prestaties van de kinderen op school, over hun sociale vaardigheden, als kinderen ernstig ziek worden. Het evangelie lijkt die machteloosheid vanmorgen te erkennen … . Maar wie geluisterd heeft, die weet dat er geen reden is voor een hoerastemming. Inderdaad, de discipelen kunnen de zieke niet genezen, maar Jezus bestraft hen. Jezus neemt geen genoegen met hun onmacht. Wat verwacht hij van hen, van ons?

Mattheüs werkt in zijn schildering van het evangelie met contrastkleuren. Jezus komt met een klein select koppeltje de berg af. Daarboven is hij omgeven geweest door een helder licht. Alles, heel het leven, de hele schepping, werd transparant. Maar direct op deze top-ervaring volgt een dal-ervaring. Eerst het licht, het boven al het aardse verheven zijn. Dan het aardse, het weerbarstige, een ernstige ziekte. Contrast. Confrontatie. Een indrukwekkende kerkdienst – een dag later een rouwbrief. Een CD met prachtige muziek – ineens gaat de telefoon, een vriendin in tranen. Contrast. Confrontatie. Als het gaat om God, geloof, dan kan ons dat vreselijk boos maken. Boos op God, waarom laat Hij het allemaal maar toe. Boos op de eredienst, omdat die ineens zo irrelevant geworden lijkt. Boos op onszelf, op ons onvermogen. Boven op de berg, hoger dan de blauwe luchten, daar lijkt alles mogelijk. Maar op aarde, de discipelen, ze kunnen het niet, de zieke jongen genezen.

De jongen is maanziek. Wij zouden zeggen: epileptisch. Toch wil ik het maar even houden op de letterlijke vertaling: maanziek. Het betekent in ieder geval: deze jongen is uit zijn evenwicht. Het is net als de maan, vol/halfvol/wassend/afnemend, steeds in beweging, steeds weer anders. Zijn vader bevestigt dat: de ene keer valt hij in het water, een volgende keer in het vuur, twee uitersten. Water: dat staat voor de ondergang, de duistere machten, voor het passieve. Vuur: dat staat model voor de opgang, God, enthousiasme en activiteit. Maar het ligt nog iets ingewikkelder. Water betekent ook: léven, het is immers een eerste levensbehoefte. Vuur betekent ook: vernietiging. Met andere woorden: water heeft iets aantrekkelijks en iets afstotends. Vuur heeft iets aantrekkelijks en iets afstotends. De jongen beweegt heen en weer, als een pingpongballetje, aangetrokken, afgestoten: overal, nergens thuis.

Het evangelie proeft en peilt onze samenleving, ziek, verziekt: als een pingpongballetje heen en weer. Impuls op impuls. Reclame: koop dit, koop dat, limonade, een heerlijk waterbed, een flitsende auto, het een nog aantrekkelijker dan het ander. De achtbaan in het ene pretpark is nog hoger, nog sneller, nog fantastischer dan die in het andere. In de politiek lijken losse flodders tot norm verheven: wat roepen over asielzoekers en buitenlanders, wat roepen over zwijgrecht van verdachten, wat roepen … . Spreken is zilver, zwijgen is goud. Kan het niet dienstig zijn soms eerst maar eens na te denken?! We hebben het over loopbaanontwikkeling, over groei. Je hele leven bij dezelfde baas, dat is ouderwets, achterhaald … . In geloof en kerk is het niet anders. We zoeken naar prikkeling, kieteling, iets bijzonders … . Het evangelie schiet vanmorgen een plaatje van de mallemolen van ons leven. Maanziek. We weten, we zuchten, we zeggen: we kunnen niet anders, we zijn kinderen van deze tijd.

Ik, wij, we kunnen niet anders … . ‘Ongelovig en verkeerd geslacht!’, zegt Jezus. Ver-keerd: ver-draaid, door-gedraaid, zonder richting. Jezus speelt daar met woorden uit het lied van Mozes bij de intocht in het beloofde land. Mozes voorziet wat er gaande is, wat er staat te gebeuren. Hij waarschuwt de mensen: vergeet niet wat God heeft gedaan. Laat je blik niet ver-draaid zijn, maar richt je op God die je geschapen heeft, die je uitgeleid heeft uit Egypte, die je een land heeft gegeven, grond onder je voeten. Durf vertrouwen!

We hebben bij de kerk, bij de gemeente misschien wel eens het gevoel: wat stelt het allemaal voor. We gaan elke zondag, of anders hopelijk toch geregeld naar de kerk. Ieder voor zich … . Wat haalt het allemaal uit? Zou de wereld, zou Ridderveld, zou ons leven er wezenlijk anders uitzien zonder kerk? Wat kunnen wij in die impulsieve samenleving?

Ja, maar, wat wordt dan van ons verwacht? Dat wij de samenleving genezen? Dat wij zieke mensen genezen? Niet ten onrechte zijn wij voorzichtig met gebedsgenezing … . Niet ten onrechte fixeren wij ons niet op wonderen … . Maar toch … . De gemeente kan heil-zaam zijn, helend. De aandacht die er gevonden wordt, de liefde, het gedragen weten door het onderlinge gebed, het je door God aangenomen/aanvaard weten. Dat vergt misschien meer van ons dan we nu zijn bereid te geven, te investeren. Jezus zegt, dat het geloof bérgen kan verzetten. Dat lijkt ons onmogelijk. Letterlijk grootspraak. Toch kan het. Hij is onszelf daarin voorgegaan, naar Jeruzalem. Gewoon beginnen … .

En toch. Ik kan me voorstellen, dat mensen zich afvragen, of dat dan evangelie is, dat wij hetzelf wel kunnen. Dat denken we al vaak genoeg. Daar hebben we de bijbel niet voor nodig. Dat lijkt me een terechte tegenwerping. Geloof, dat is immers ten diepste het vertrouwen, dat wij niet uit onszelf maar uit Gods kracht in staat zullen zijn om die bergen te verzetten. Met een schop en een kruiwagentje: het lijkt een onmogelijke opgave, zelfs als we vandaag nog beginnen met hakken, scheppen en het verrijden van de grond. Maar we staan niet alleen. Het verrassende in het gelezen bijbelgedeelte is ook, dat Jezus de discipelen weliswaar krachtig aanspreekt, maar dat Hij het intussen is die de zieke jongen geneest. De komst van het Koninkrijk loopt niet stuk op onze onmacht en ons onvermogen. Integendeel!

Dopen is geplaatst worden in de beweging, in de komst van het Koninkrijk. Dopen is daarmee een waagstuk. Het ideaal van het Koninkrijk is een hoog ideaal. De eisen die de Koning van dat Rijk stelt zijn soms hoog. Tegelijk mogen we erop vertrouwen dat dat Koninkrijk ons ondanks aanbreekt. Het zet door, zoals God heel Zijn geschiedenis van A tot Z dankzij én ondanks mensen heeft doorgezet.

Alphendebron/020901


Print deze pagina

© 2002, KWdJ