Schriftlezing: Matthes 19: 16 - 26

Thema: 'Niets meer te wensen ?!' (jeugddienst)

Wat heb jij op je verlanglijstje staan? Waar heb je nu eens echt zin in? Waar loop je warm voor? Wat is nu eens echt extra voor je?

De jonge man uit het evangelie heeft niets meer te wensen. Hij heeft alles al. Alleen n ding niet: het eeuwige leven. Dat krijgt hij maar niet in de vingers, het lukt hem maar niet dat te pakken te krijgen. Dat maakt hem onzeker, angstig misschien zelfs. Met zijn vraag geeft hij ook de indruk dat alle spanning uit zijn leven is. Hij heeft verder niets meer om naar te streven, om aan te werken, om op in te zetten.

Jezus begint bij het begin. Hij spreekt over het gewone leven en noemt de bekende geboden: niet doodslaan, niet echtbreken (iets anders dan niet scheiden!), vader en moeder eren, je naaste liefhebben. Dat gewone leven kent de jonge man: hij houdt zich aan al deze geboden. Hij beseft dat Jezus nog niet gesproken heeft over het eeuwige leven, waarnaar hij vroeg. 'Waarin schiet ik dan nog tekort?' Met andere woorden: wat brengt me bij dat buiten-gewone leven? Jezus antwoord is: verkoop alles wat je bezit , en volg Mij. Jezus vraagt om mezelf los te maken van alles wat voorhanden is, van alles wat in de weg staat, en mezelf vast te maken aan Hem. Losmaken en vastmaken.

Grimm vertelt een sprookje over een arm meisje. Ze heeft geen vader en moeder meer. Geen huis, zelfs geen kamer om in te wonen; geen bed om in te slapen; geen stoel om op te zitten; geen tafel om aan te eten. Zo gaat ze op weg naar God, alleen met haar kleren en een homp brood die ze van een vriendelijke man gekregen heeft. Als ze een man tegenkomt die honger heeft, geeft ze het brood weg. Even verderop is er een meisje die haar muts nodig heeft. Dan een klein jongetje die het koud heeft. Hij krijgt haar trui. Als het donker wordt, belandt ze in het bos. Daar nog wordt een beroep op haar gedaan. Ach wat geeft het ook, denkt ze, niemand ziet me hier in het donker. En ze trekt ook haar hemd uit en geeft het weg. Op dat moment vallen de sterren van de hemel en veranderen in gouden dukaten. Tegelijk wordt ze op wonderbaarlijke wijze bekleed met een hemd van fijn linnen. Ze heeft ineens genoeg voor heel haar leven.

Laten we ons niet vergissen. Dit meisje lijkt in niets op ons, niet op mij. Ze heeft veeleer iets van de gestalte van Jezus Christus. Hij ontkleedde zich tot op het bot, tot aan het kruis. Van de vele woorden die Hij sprak bleef slechts een enkel over. Op het laatst was het nier meer dan een kreet, een doodskreet.
Ik kn niet loslaten, tenminste niet alles. Een aardig gift over de giro. Een uurtje van mijn tijd. Dat gaat allemaal nog wel. Maar ik wil niet weg uit mijn huis, ik wil mijn vriend niet kwijt en mijn kleren zitten me ook nog prima. Maar het evangelie maakt me onrustig, onzeker. Ik begin al om me om te draaien en heen te gaan, net als die rijke jonge man. Maar dan hoor ik nog de woorden die Jezus tot de discipelen spreekt: wat bij mensen onmogelijk is, is bij God mogelijk. Hij heeft het mogelijk gemaakt. Hij is het die op de derde dag, op de paasdag, bekleed is met het eeuwige leven. Hij daagt me uit, steeds weer, om los te laten, om me vast te maken aan Hem: Hem te volgen. Ik mag me aan Hem vastklampen, me door Hem laten dragen.

001119/Alphendebron