Schriftlezing: Mattheüs 1: 18 – 25

Thema: Immanuël

Een prinses, een koningskind! Het was groot nieuws afgelopen zondag. Omstreeks half zes kwam de lang verwachte mededeling: er is een prinsesje geboren. De namen waren toen nog onbekend. Dat zou pas dinsdag komen, bij de aangifte op het gemeentehuis: Catharina-Amalia-Beatrix-Carmen-Victoria. Pas toen we dat wisten was de nieuwsdrukte eraf. Klinkende namen, namen die op allerlei manieren te bekijken zijn. Bijvoorbeeld door naar hun eigen betekenis te kijken: Catharina betekent rein, Amalia arbeidzaam, Victoria overwinning, enzovoort. Maar ook de plaats van eventuele voorouders in de geschiedenis vormt een aanknopingspunt: Catharina Belgica, dochter van Willem van Oranje; Amalia van Solms, in 1625 gehuwd met Frederik Hendrik mede om het Oranjehuis niet te laten uitsterven: zij gaf Oranja aanzien, bouwde verschillende paleizen.
Op deze manier kan ook Mattheüs 1 gelezen worden. Er is een kind geboren, een prins, een koningskind. Daar is het nodige aan vooraf gegaan. Zijn eigen naam is al lang tevoren bepaald, hij heeft een eigen betekenis: Jezus, de Heer redt. Maar deze naam heeft ook een plaats in de geschiedenis: Jezus, Jozua, degene die het beloofde land introk. De tweede naam, Immanuël, heeft eveneens geschiedenis gemaakt. Ook deze naam heeft ooit in het verleden geklonken. Het valt niet moeilijk te begrijpen, waarom Mattheüs – anders dan Lucas! – het niet heeft over de geboorte van Jezus (vgl. echter het NBG-1951), maar over de wording van Jezus. Wording omvat veel meer. De kans is groot dat we ons vergapen, zoals we aan het begin van de vorige week ook toeschouwers waren van het koningshuis. Of zit er in de wijze waarop Mattheüs vertelt toch nog ergens een uitdaging verborgen om mee te gaan doen?

Centraal staat Jozef: hij is de identificatiefiguur. Zoals Lucas de schijnwerper richt op Maria – en daarmee ook op de geboorte – zo doet Mattheüs dat op Jozef. Hij laat zien, hoe Jozefs leven door Goddelijk ingrijpen een andere wending krijgt. Mattheüs vertelt over Jozefs aarzelingen. Terwijl hij daarmee bezig is ineens ‘Zie!’ een engel, en parallel nog eens ‘Zie!’ een profetie. Twee keer ‘Zie!’, een trefwoord van goddelijke actie. Dan opnieuw Jozef, in actie, hoe hij tóch de vader van het kind wordt.
Jozef wordt een rechtvaardige genoemd. Hij bemerkt dat Maria zwanger is, van een ander. Volgens de Joodse wet mocht hij Maria niet trouwen, want dat zou echtbreuk betekenen. Volgens dezelfde wet kon, moest hij haar bovendien aanklagen bij het gerecht. Maar dat wilde hij niet. Hij verkiest het om haar heimelijk weg te zenden. Jozef is een rechtvaardige: hij wil de regels van de wet volgen, maar hij is geen scherpslijper, hij handelt ook Maria ten goede. Jozef zou de maximumsnelheid overtreden als hij in een noodgeval iemand naar het ziekenhuis zou moeten rijden, wetend dat hij een fikse boete riskeert.

Als Jozef dreigt heimelijk van Maria weg te gaan, dan ineens: ‘Zie! Een bode …’. Deze boodschapper spreekt Jozef aan met ‘Zoon van David’. Daarin ligt al iets van: handel als een Zoon van David, koninklijk, vrij, onverveerd. Vrees niet … neem Maria tot vrouw. Gevoelsmatig vraagt dat een en ander van Jozef: gemeten naar de Joodse wet pleegde hij dan echtbreuk. Vrees niet … het kind is verwekt uit de Heilige Geest. Maria zal een kind baren, jij zult zijn naam roepen. Roepen: de Bijbelse uitdrukking voor noemen; roepen: met kracht dus, iedereen mag het weten, een doorbraak, blijdschap! Wat moet hij roepen: Jezus, want HIJ redt, HIJ zal zijn volk redden van hun zonden. Heel het Mattheüsevangelie onderstreept dat, dat redden van deze Zoon. Bij herhaling klinkt het woord als Jezus aan het kruis hangt: laat Hem zichzelf redden, Hij redt zichzelf niet, en uiteindelijk komt er geen ander om Hem te redden, zelfs Elia niet. Er blijft slechts één ding over: anderen heeft Hij gered. Anderen zál Hij redden, juist op deze plaats, aan het kruis. Dit is zijn wezen, dit is zijn taak, dit is zijn naam! Redden, waarvan? Van hun zonden. In de boeken Richteren en Samuël wordt meer dan eens over dit redden gesproken, redden van de vijand, van de vijandelijke regels. Dat roept voor mij het beeld op van omsingeling, geen kant op kunnen, geen uitweg, geen perspectief, een uitermate benauwend klimaat: het is zo geen leven (meer). De zonde, het bereik van de zonde is te sterk om er alleen tegenop te kunnen. Om je heen. In jezelf, vooral in het duivelse kiezen tussen twee kwaden, het niet goed kúnnen doen. Die vijandelijke, die van God afleidende legers, die overmacht, Jezus zal het alles verslaan.
Naast dit Goddelijke Woord tot Jozef nog eens: ‘Zie!’ Nu is er een profeet die spreekt, Jesaja. Zie, de maagd zal zwanger worden, ze zal baren – het lijkt allemaal naadloos aan te sluiten bij de situatie van Jozef – en zij zullen zijn naam roepen: Immanuël, dat is God-met-ons. Het is een oude tekst, uit de tijd van Achaz, de vader van Hizkia, een van de koningen van Israël. Hij werd bedreigd door vijandelijke legers en wist niet waar hij het zoeken moest. God moedigde hem middels de profeet aan om een teken te vragen. Maar Achaz wil niet, het zou niet passend zijn een teken te vragen … . Toch krijgt hij een teken: zie de maagd, het jonge meisje, zal zwanger worden, een zoon baren, zij zal zijn naam roepen … . Maar er zit iets vreemds in de wijze waarop Mattheüs dit citaat opneemt. Bij Jesaja is het de jonge vrouw zélf die de naam zal roepen. Bij Maria is het Jozef die de naam moet gaan uitroepen. Maar hier, in dit citaat, heeft Mattheüs er ineens van gemaakt zíj zullen zijn naam roepen: Immanuël, God-met-ons (dus niet: God-met-míj!). Wie zijn nu in hemelsnaam die ‘zij’?

Jozefs leven krijgt door goddelijk ingrijpen een scherpe wending. Hij doet wat van hem gevraagd wordt, hij neemt Maria tot zich, zij baart een kind, en hij roept Zijn naam. Eens te scherper wordt het profiel van de rechtvaardige: de mens die zijn leven in dienst wil stellen van het Goddelijk handelen tot heil van anderen, tot heil van de wereld. In het woord van Jesaja komen vervolgens al die anderen binnen – u en ik – die door Jezus geraakt, geboeid zijn, die hebben ervaren: Hij ontmaskert vijandelijke machten in deze wereld, in mijzelf, Hij vergeeft, verzoent, Hij wijst mij de weg om te leven zodat niet alleen ikzelf maar ook anderen dat op hun beurt ervaren. Daar ligt in de tijd die voor ons ligt de uitdaging van de Protestantse Kerk in Nederland, om die ervaring met anderen te delen. Eenieder die dat heeft ervaren, die wil het uitroepen: Immanuël, God-met-ons, Hij is er, Hij bestaat. Wie dat weet kijkt terug, beziet dat hele voorgeslacht van Jezus – net zoals bij de namen van het kleine prinsesje – en constateert: God heeft geschiedenis gemaakt, en Hij gaat door!

Ik las een paar regels van kinderen, die droomden hoe het zou zijn als Jezus hier was. ‘Dan zou ik blij zijn. Ik zou naar Hem gaan luisteren. Ik zou het niet erg vinden, als mijn moeder boos werd omdat ik te laat zou thuiskomen. Al moest ik in het donker naar huis, ik zou niet bang zijn. Ik zou mijn leven verbeteren, ik zou met vrede in mijn hart naar huis gaan. Ik zou mijn leven opnieuw mogen beginnen. Ik denk dat er vrede in de hele wereld kan komen. Voor mij zou het de mooiste dag van mijn leven zijn.’ Als Jezus nu eens hier was. Als … . Maar het is geen ‘als’. Hij is hier, Hij leeft! Dus wat let ons?!

Alphendebron/031214




Print deze pagina

© 2003, KWdJ