Schriftlezing: Mattheüs 22: 1 – 14

Thema: Een koninklijke bruiloftsmaal



Samenvatting van de preek:

Vorige week kwamen we bij elkaar in de gelijkenissenkring. Het ging over de gelijkenis die we zojuist hebben gelezen. Ik vroeg aan de mensen om uit hun hoofd de gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal te vertellen. Met wat nadenken, met wat onderlinge hulp leek dat heel aardig te lukken. Iemand, een koning, organiseert een maaltijd voor zijn zoon. De gasten worden uitgenodigd. Uiteraard zijn dat gasten op niveau. Maar dan blijkt dat ze niet komen. De een heeft een akker gekocht, de ander een vrouw getrouwd, weer een ander heeft vijf paar ossen gekocht … . Vervolgens laat de koning mensen van de straat uitnodigen, wie maar wil. Bij het navertellen ontstond nog enige discussie, hoe vaak de knechten van de koning er nu op uit gegaan waren, in totaal twee, drie of zelfs vier keer? Maar zeker is: de feestzaal komt vol.
Vervolgens legden we de het Mattheüs-evangelie naast dit verhaal, zoals het in onze gedachten leeft. Toen bleek dat er nauwelijks concrete verontschuldigingen waren. Maar wat opvallender was: eigenlijk alle donkere tonen uit de gelijkenis waren er in onze herinneringen uitgezeefd. Zo vertelt Mattheüs dat de knechten van de koning mishandeld worden, gedood zelfs. En dat de koning boos, kwaad wordt; hij zendt legers, laat een stad in brand steken. Het tweede deel van de gelijkenis, over de man zonder bruiloftskleed die wordt weggestuurd, was helemaal vergeten. We hadden er met elkaar iets moois gemaakt. Iemand uit de groep commentarieerde scherp: ‘een zoetig verhaaltje’. De koningin heeft in haar paleis Noordeinde hooggeplaatste gasten genodigd: ministers, burgemeesters, zakenlieden, de een na de ander meldt zich af. Het personeel gaat in Den Haag de straat op en nodigen ieder die maar komen wil … . Zo wordt het dan een feestje waarvan Gertjan Dröge zou kunnen zeggen: ‘en zo werd het toch nog een mooie dag’.
Voordat ik verder ga nog twee vragen. 1) Wie heeft het wel eens meegemaakt, dat álle gasten wegbleven? Ik vermoed niemand. 2) En áls er dan een aantal gasten afzeggen, wie is er dan wel eens de straat opgegaan om anderen uit te nodigen? Ik vermoed opnieuw: niemand. Toch gebeurt dat in de gelijkenis. Twee vreemde dingen. De gelijkenis líjkt op het alledaagse leven. Net zoals wij zeggen: je líjkt op je moeder. Je líjkt … . Dat betekent dus niet: je bent identiek aan … . Het doel is dat wij gaan vergelijken, dat we gaan nadenken, dat we met de gelijkenis aan het werk gaan.

Het Mattheüs-evangelie is net als de andere evangeliën een missionair evangelie. De dynamiek, de beweging zit al in het evangelie zelf. Het begint met de verworteling in het Joodse volk (een volk dat met Abraham gezegend is, om tot zegen te zijn van alle volkeren). Het eindigt met de missie, de zending van Jezus: gaat dan heen, maakt alle volkeren tot mijn discipelen. Het zijn Zijn laatste woorden, het is Zijn testament. De boodschap móet de wijde wereld in, de boodschap van het Koninkrijk van God, de God Die van mensen houdt, Die daarin een weg wijst voor onze omgang met onze medemens, Die in Jezus Zijn Zoon heeft lief gehad ten einde toe, tot verzoening van álle zonde en álle schuld. Dat wíl Hij, dat heeft Hij voor óns over.
Missionair, naar buiten gericht … . De gelijkenis is er vol van. Een koning stuurt Zijn knechten erop uit om te nodigen, te roepen. Nodigen is het Nederlandse woord. Daar zit iets in van nood, van nodig. Roepen is het oorspronkelijke Griekse woord. In beide gevallen zit er iets in van drang, van nood, van noodzaak. Roepen doe je niet zo maar.
Roepen, nodigen: in hoeverre doen wij dat? Een evangelisatiecommissie bestaat al lang niet meer. Het woord alleen al. Het heeft iets oubolligs. Het roept iets op van langs de deuren gaan, Jehovah-achtige praktijken … . We beseffen natuurlijk wel dat het zo niet per se hoeft. Het kan ook met incidentele gesprekken, door een bepaalde levenshouding, door kerkelijke verklaringen over bepaalde vraagstukken … . Maar gebéurt het ook? Wordt de uitnodiging gelezen, wordt de roep verstaan? Of laten we het er allemaal maar zo’n beetje bij zitten?
Ik hoorde een collega niet zo lang geleden in een preek de vraag stellen: ‘waarom gaat u vrijdag niet naar de moskee?’ Vreemde vraag voor een kerk, maar hij maakte er wel iets mee duidelijk. U hebt bijvoorbeeld het idee, dat u daar niet hoort, dat de mensen daar een andere overtuiging hebben. Of u weet, niet hoe laat u daar dan zou moeten zijn. Of u vraagt zich af, of u daar welkom bent (ook al weet u dat de bijbehorende cultuur een gastvrije is!). Of u aarzelt over gepaste kleding en wat daar van u verwacht wordt. Het is wat dat betreft aardig om ook eens zo’n gedachtenspelletje te doen over een buitenstaander en de kerk en het christelijk geloof. Wat houdt mensen tegen om hier binnen te lopen? Waarschijnlijk zou een flink deel van de mensen best wel eens een keer binnen willen kijken … . Wat weerhoudt mensen ervan hun hoop, hun geloof, misschien zelfs hun geloof in Jezus Christus hier te komen delen, te verdiepen, om samen na te gaan wat past om te doen?
De gelijkenis waarschuwt: denk erom, het is ook weer niet zo eenvoudig om te nodigen, te roepen. De knechten van de koning worden mishandeld, vermoord. Mattheüs vertelt dat in een tijd, waarin de christengemeente onder grote druk stond van de Joodse gemeenschap. Ze hadden meegemaakt, hoe die Éne Godsknecht door de Romeinen vermoord was, hoe anderen in navolging van Hem in verdrukking raakte. Het heeft er veel van weg, dat Mattheüs daarom toevoegt dat de koning de stad liet verwoesten. Zo werd de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 voor de jonge christelijke kerk een teken van hoop: God had hen in hun nood en verdrukking niet vergeten! Opnieuw zijn de tijden voor de kerk niet eenvoudig. Aan de ene kant roemen politici over het joods-christelijke karakter van Europa. Aan de andere kant wordt de ruimte voor het christelijk geloof als overtuiging in de samenleving steeds meer naar de marge verdrongen. Onlangs las ik een artikel, naar ik meen vanuit de hoek van de VVD, waarin serieus bepleit werd dat kinderen volledig zélf moesten kiezen, zonder dat een bepaalde overtuiging in het onderwijs dominant zou moeten zijn. Alsof ook dat niet een bepaalde overtuiging is … . Erfgenamen van onze joods-christelijke cultuur lijken de dringende oproep om te komen, om te vieren naast zich neer te leggen. Niet toevallig dat het visioen van een maaltijd voor álle volkeren vervaagt, verdampt, verdwijnt. Eenieder werkt op zijn éigen akker, aan zijn eigen zaken.

De gelijkenis kent echter twee spitsen. Het feest is begonnen. Ieder mag komen. De drempel is laag. Een zucht van verlichting: ook wij mogen binnenkomen, meedoen. We zijn binnen. Naar goede gewoonte bij een grootse bruiloft krijgt iedereen bij de ingang een bruiloftskleed. feestelijke kleding, passend bij de gelegenheid. Niemand hoeft zonder te zijn. Jezus verwijst met dit kleed naar het kleed der gerechtigheid, waarvan Jesaja profeteert. Paulus gebruikt het in een andere zin, hij spreekt van het ‘aandoen’ van Christus. Het gaat om een levenshouding, een levensstijl, een zozeer met Christus verenigd zijn dat wij Hem met hart en ziel kunnen en willen volgen. Leven met Christus: dat is nemen (ontvangen), maar ook geven.
Wie binnen is, wie lid is van een kerk, is er nog niet. Het is niet voldoende om bij de SMRA geregistreerd te staan en als het even kan nog een paar Euro’s over te maken. In de vroege kerk verwees men bij het bruiloftskleed naar het doopkleed. Volwassenen bereidden zich intensief voor op hun doop, een overgang naar een nieuw leven, een nieuw begin. Daarom was het kleed wit, smetteloos wit. Gedoopt zijn, gedoopt worden, dat vráágt iets van een mens. Je kunt daar niet zomaar weer vanaf, of net doen alsof het er allemaal niet toe doet. Dat is net als de voetballer die zonder sportkleding voetbalt. Het is alsof hij er niet bij hoort. Het kan onhandig zijn. Als er meerderen zijn, dan is onduidelijk wie bij welke club speelt, aan welke kant hij speelt. De sportkleding laat zien: ik speel dit spel mee, actief.
Zo worden vanmorgen ook kinderen gedoopt. Ze worden ingelijfd in het lichaam van Christus. Ze krijgen iets: Zijn belofte van vergeving van zonden. Maar er zal ook iets aan hen gevraagd worden: inzet, overgave. Om hen op die keuze voor te bereiden is het aan jullie als ouders om hen de weg van Christus te wijzen: ín de wereld, maar niet ván de wereld.
Als we over 100 jaar terug kijken, wat zullen we dan zeggen over de nodiging die vandaag ook naar ons is uitgegaan … . Over de secularisatie om ons heen, maar ook in onszelf als mensen die denken het uiteindelijk toch wel zonder de redding van Jezus Christus te kunnen? Over de honger en armoede waaronder nog steeds velen gebukt gaan? Over … ?

Alphendebron/051023



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (4.0 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2005, KWdJ