Schriftlezing: Jeremia 31: 10 – 17, Mattheüs 2: 13 – 23

Tekst: Mattheüs 2: 13 – 23

Voor zondag 6 januari staat Mattheüs 2: 1 – 12 op het rooster. Het is een Schriftgedeelte waar geregeld over gepreekt wordt. Over de tweede helft van Mattheüs 2 wordt meestal gezwegen. Toch hoort het er in de compositie van Mattheüs helemaal bij. Sterker: de beide helften van dit hoofdstuk leggen elkaar uit.

Laten we direct maar zeggen, wat we ervan denken. Het is een gruwelijk gegeven, die kindermoord in Bethlehem. Met zinloos geweld bedoelen we meestal net iets anders, maar ook dit is zinloos. Daarbij komt, dat deze kinderen weerloos zijn, geheel afhankelijk van hun ouders, van vader en moeder. Ze zijn volstrekt onschuldig, ze kunnen er niets aan doen. Zij hebben part noch deel aan het drama (net zo min als hun ouders trouwens). Het zou me niet verbazen als menigeen een bijbelgedeelte als dit in de eerste plaats betrekt op zijn eigen kinderen, op de eigen liefde en zorg: hoe zou ik reageren als zoiets mij overkwam? We durven, we willen er niet eens aan denken!
Zinloos geweld … . Maar wie is de auteur van dit geweld? Wie is er verantwoordelijk, wie kunnen we voor schuldig houden? Zijn het de soldaten (natuurlijk in opdracht van Herodes, maar kan iemand bij zo iets zich verontschuldigen)? Is het Herodes (angstig, achterdochtig, wreed)? Of ligt het aan de wijzen, die Herodes bespot (vertaling NBG: misleid (vs 16)) hebben? Of komt het door hun droom? Als we zo tussen de regels van de tekst dwalen, dan wordt de vraag alleen maar sterker: waarom dan toch, welk doel dient dit alles? Op het eerste gehoor zijn ver vele vragen. Vanmorgen wil ik enkele zaken aanstippen, als bij een schilderij, want Mattheüs heeft dit alles zeer zorgvuldig gecomponeerd.

Als we Mattheüs 2 in zijn geheel zouden lezen, dan zouden we ontdekken, dat dit schilderij twee kanten heeft, een lichte en een donkere. Het licht valt op het eerste deel (vs 1 – 12). Daar komen de wijzen om de ware koning te aanbidden (vertaling NBG: hulde bewijzen). Aanbidden is een trefwoord bij Mattheüs. Alleen God mag en kan aanbeden worden. Met andere woorden: de wijzen, heidenen, zij weten wat ze doen!
Het tweede deel van Mattheüs’ compositie is donker (vs 13 – 23). Het is letterlijk en figuurlijk de keerzijde. De wijzen mogen dan de ware koning aanbidden, de valse koning, Herodes, bespotten zij. De wijzen weigeren hem als god te eren. Herodes voelt zich miskend, als heer, als heerser, hij voelt zich bedreigd. Hij is toch god, in het diepst van zijn gedachten?! Hij is boos, woedend zelfs. Hij wil als God zijn, de zonde van Genesis 3. En het kan niet anders of de ene zonde leidt tot de andere: de mens vermoordt zijn broeder, hij wil zonder hem verder. In de persoon van Herodes balt zich het verzet samen tegen God, tegen de mens. Een steeds terugkerend motief in de Schrift. Denk ook aan de Farao in Egypte, die zich tegen alles in staande wil houden. Denk aan Mugabe in Zimbabwe, een dictator die alle middelen aangrijpt om zelf maar aan de macht te kunnen blijven. Hier komen we de donkere kanten van de menselijke ziel tegen!
Als we beter kijken naar de donkere kant van het schilderij, dan ontdekken we drie panelen. In het hart staat dan dat trefwoord bespotten, misleiden, en in het verlengde daarvan de actie van Herodes, de kindermoord. Ter linker en ter rechterzijde een paneel, dat steeds begint met een droom en een engel. Het zijn in de donkere tinten van deze schildering lichtpuntjes. In de ene droom gaat het om een uitwijken naar Egypte. In de andere droom moet het gezin met de kleine Jezus uitwijken naar Galilea. Zakelijk, vlak bekeken komt het hier op neer: Jezus ontkomt aan de moordpartij: Hij wel, zij niet. Maar dan peilen we de diepte van dat woord uitwijken onvoldoende. Jezus’ weg is een lijdensweg, een kruisweg. Maar Mattheüs laat ons weten: het is nog niet zover, dat kruis dat komt pas later. Jozef wijkt uit met zijn gezin. Jezus zal later uitwijken als Johannes de Doper gevangen wordt genomen, als de vijandschap van de Farizeeën toeneemt zelfs naar Tyrus en Sidon, tot over de grens. Pas daarna wordt de beweging in gang gezet naar Jeruzalem toe. Pas dan mag Hij sterven, niet heimelijk meer als een van die vele namelozen, maar openlijk, voor Israël, voor heel de wereld. Uitwijken is iets anders dan ontwijken, weglopen. Uitwijken, dat is in het woordenboek van Mattheüs de zending willen vervullen ten einde toe!

Nog een aandachtspunt: elk van de drie panelen eindigt met een Schriftwoord. Het eerste en het derde beginnen met ‘opdat vervuld werd’: naar Egypte, opdat vervuld werd (Hosea); naar Nazareth, opdat vervuld werd (Jesaja?). Het tweede wijkt af. Na de kindermoord staat alleen ‘toen werd vervuld’. Een kleinigheid misschien, maar van wezenlijk belang voor het verstaan van de tekst. Het uitwijken naar Egypte, naar Nazareth, staat in een goddelijk kader, is een gevolg van de goddelijke zending, de goddelijke liefde: díe zal vervuld worden! Maar met menselijke gruwelijkheden ligt dat bepaald anders. Dat moet niet, dat is Gods doel niet, daar is de mens niet voor geschapen, dat kunnen we slechts constateren.
Vervolgens blijkt Mattheüs in de wijze van citeren een wijze pastor te zijn. Rachel weent om haar kinderen, ze weigert zich te laten troosten, omdat er geen meer is. Daar stopt Mattheüs, bewust. Dit is herkenbaar, dat ontroostbaar zijn, dat niets het nog goed kan maken wat er gebeurd is, dat het nooit écht over gaat. Dat neemt niet weg, dat wij in de verte toch nog die stem van Jeremia horen, dat wat hij verder zegt: stop met huilen, droog uw tranen, want uw kinderen zullen terugkeren uit het lande van de vijand. De dood, die vreemde, strenge, bittere dood zal niet het laatste woord hebben! Het eerste wat er na de woorden van Jeremia dan ook gebeurd is opnieuw die boodschapper van God, een engel, die in een droom tot Jozef komt. Jezus zal zijn zending kunnen volbrengen. Herodes wordt dienstbaar gemaakt aan het heilshandelen van God. Hij denkt misschien nog … . Maar intussen!

Een paar jaar geleden gaf professor Kuitert in een interview aan, dat Jezus voor hem in de eerste plaats mens is, zij het dat Hij zich volledig overgegeven heeft aan God. De interviewer vraagt vervolgens natuurlijk naar de reden om dan nog Kerst te vieren. Het bijzondere van Jezus is er immers af. Kuitert geeft dan aan, dat hij met Kerst nog wel eens zou willen preken over Rachel die zich niet laat troosten. Met alle kerstvrolijkheid komt het niet zomaar goed. Dat kan ik onderschrijven. Verdriet verergert misschien wel als het ontkend wordt, als het er niet zijn mag omdat het onze rust verstoort. Maar er valt tegelijk meer te zeggen, juist vanuit de verkondiging van Mattheüs. Het evangelie verbloemt het brute geweld niet, al de tranen die daarbij gehuild worden. Wie de diepte van het evangelie wil peilen móet daar doorheen. Jezus is gekomen in een geschonden, gecorrumpeerde wereld. Zo serieus heeft God ons genomen. Maar tegelijk moeten we doorlezen, bij Jeremia, bij Mattheüs. Jeremia belooft, dat er een ander tijdperk aan zal breken. Mattheüs vertelt het verhaal van Jezus die de weg vrijmaakt, begaanbaar maakt, die laat zien, hoe betrokken God is op onze wereld, op ons. Vele miljoenen Joden zijn vergast, toch (!) is de staat Israël gesticht als een thuis, hoe vele vragen wij vervolgens ook weer mogen hebben bij het huidige optreden van de staat Israël. Christen zijn in Chrina is niet gemakkelijk, menigeen wordt opgepakt en gevangen gezet. Toch groeit het aantal christenen daar. Probeer niet het een met het andere te rijmen. Probeer van de onzin geen zin te maken. Maar God, Jezus, Hij zal Zijn zending vervullen, Hij heeft Zijn zending vervult, tot op de derde dag, de dag van de opstanding van het léven.

Alphendebron/020106


Print deze pagina

© 2001, KWdJ