Schriftlezing: MattheŁs 6: 24 Ė 34

Thema: onbevangenheid

Vooraf. Deze overweging is gehouden in een reeks van vespers in de veertigdagentijd, over gevoelens van Jezus. Achteraf had bij onbevangenheid misschien beter onbezorgdheid kunnen staan.

Mijn agenda staat vol. Gelukkig maar. Ik werk, ik leef, al die activiteiten geven mijn leven zin. Bovendien: een goede planning is een manier op mijn spaarzame tijd efficiŽnt te besteden. Mede daardoor kan ik bereikbaar en beschikbaar zijn als het nodig is. Maar die agenda toont ook aan, dat ik weinig tijd over heb.

Plannen maken is nodig. Ik ben nu al bezig met de data voor een training die in het najaar van 2002 begint en loopt tot begin 2004. Ook verder gaat het zo in het kerkelijk leven. Oůk daar. Op basis van financiŽn en ledental is al uitgerekend, dat we ons in 2005 nog drie fulltime predikanten zullen kunnen veroorloven. Om elk misverstand te voorkomen: er is geen speld tussen dat soort redeneringen en overzichten te krijgen. We doen er allemaal aan mee. We bedenken, hoe het straks zal zijn als de kinderen naar school gaan, wat er allemaal al niet kan als ze de deur uit zijn Als ik straks met de VUT ga Ö . Wij leven bij de dag van morgen.

De agenda staat model voor onze manier van leven, dikwijls ook voor onze manier van geloven. Alles is afgepast, ingekaderd, gelijkmatig, weloverwogen, ingetogen. Natuurlijk mag het best eens even anders toegaan in de eredienst. Een keer lachen of huilen, een enthousiast moment, iets geks, alles omgedraaid. Een keer Ö, maar niet te vaak. We passen op onze woorden. Terecht. Dat is ook wel zo verstandig. Opnieuw: geen speld tussen te krijgen. De eredienst heeft vaste kaders nodig. Een zieke kan hoogstwaarschijnlijk niets met ons enthousiasme. En toch: waar is de onbezorgdheid, de onbevangenheid? Wie of wat drijft ons nu? Waarom stellen we ons ook in geloof en kerk zo voorzichtig op? Is het omdat, zoals iemand suggereerde, we bang zijn om in de chaos van het leven ten onder te gaan?

We gaan met Jezus op weg naar Pasen. Hij gaat die weg met een schijnbare onbevangenheid, met onbezorgdheid. Hij zal alles moeten afleggen. Al de woorden die hij gesproken heeft: Hij zwijgt. Al de tekenen die Hij gedaan heeft: Hij biedt geen verweer. Heel de agenda van het Koninkrijk, alle gerechtigheid die gedaan moet worden: Hij kan niets meer doen. De regels van het wereld recht: ze doen Hem onrecht. Alles wat regelt, wat structuur biedt, een overheid, zijn meest intieme vrienden: het breekt uiteindelijk allemaal stuk. Hij moest alles afleggen. Al het berekende is onberekenbaar geworden.

En wij? Waarom durven wij niet iets van al wat wij hebben opgebouwd, af te leggen? Zijn we inderdaad bang voor de chaos, voor het nihilum? Dat alles is toch door Hem overwonnen?

Een moeder en een dochter liepen over het strand. De dochter zou gaan trouwen. Ze spraken over het leven, over verwachtingen, een huwelijkspartner, over de liefde en al het andere wat op een mens afkomt. Op een gegeven moment stokte het gesprek. De moeder zei niets meer. Ze bukte en schepte zand. Ze kneep haar hand samen, als was het om het zand bijeen te houden, om niets van dat hoopje chaotisch door elkaar rollende zandkorreltjes te hoeven verliezen. Maar het liep tussen haar vingers weg. Opnieuw bukte ze en schepte ze zand. Nu liet ze haar hand vlak. Het zand bleef liggen. Dat is het teken van onbevangenheid, het teken van de liefde, ook van Gods liefde.

Alphendebron/010325mi


© 2001, KWdJ