Schriftlezing: Openbaring 2: 1 – 7

Thema: De kerk van Christus: tussen flakkerend vlammetje en fonkelende ster

Wie is er trots op de kerk? Of anders: wie is er trots op zijn, haar kerk, gemeente? Ik denk, dat maar weinig mensen bij deze vragen spontaan hun vinger op zouden steken. Trots op de kerk, ónze kerk, ónze gemeente?! Als het nu gegaan was over ons eigen persoon, ons eigen persoonlijk geloof. Ach, ja, natuurlijk kan dat beter, maar menigeen is toch niet ontevreden. De ander, dat is inderdaad iemand anders, daar hebben wij nog wel wat kanttekeningen bij, maar wijzelf? Wij kunnen er wel mee door. De kerk, dat is een thema dat gene oproept, dat mensen in de verdediging doet schieten. Op zijn best is er een aarzelende houding, voorzichtigheid. Vanwaar die vraag eigenlijk? De kerk is voor menigeen verbonden met een iets van teleurstelling. De een heeft de aandacht gemist op het moment dat het nodig was. Een ander heeft die aandacht wel degelijk gehad, maar het bracht niet dat wat verwacht werd. Een volgende ergert zich aan de middelmatigheid van de kerk, de vage of zelfs geheel ontbrekende stellingname in kleine en grote levensvragen.
Toch kan de Openbaring van Johannes niet om de kerk heen. Het begint met stemmen, visioenen, goede woorden en heerlijke beelden. De hemelse gewesten komen in zicht. Het is even vreemd, even wennen, maar wie eenmaal geboeid is wil meer weten. Maar na het eerste hoofdstuk is het al weer afgelopen. Dan wordt de lezer met beide benen op de harde grond gezet. Het gaat over de zeven gemeenten, over de kerk in haar geheel. Zeven brieven, en in elke brief klinkt het refrein: hoor wat de Geest tot de gemeenten (meervoud!) zegt. Als dan eenmaal alles gezegd ís, dan gaat het verder, dan lopen we binnen de kortste keren weer met ons hoofd in de wolken. Maar eerst de kerk … .

In elk van de zeven brieven stelt Jezus – want Hij is de auteur van deze brieven – zich op een bepaalde manier voor. Efese is de eerste plaats, de hoofdstad van Klein-Asia, het hedendaagse Turkije. Efese is de eerste, het voorbeeld, denk maar aan de plaats van de oudste in een gezin. Met Efese staat of valt de rest. Christus stelt zich voor als degene die zeven sterren in zijn rechterhand houdt, en wandelt tussen even zovele kandelaren. Twee beelden. Het laatste is het eenvoudigste, de kandelaren. De kandelaren staan voor de gemeenten. Christus loopt er tussendoor. Het beeld straalt iets van rust uit. Christus loopt er tussendoor, meer niet. Hij ziet wat er gebeurt, niets ontgaat Hem. Hij grijpt niet in, niet direct. Elke kandelaar staat er voor zich, zelfstandig. Het is alsof Christus ook vanmorgen tussen de gemeenten doorloopt, tussen de Goede Herderkerk en De Bron, tussen de Salvatori en de Oudshoornse kerk. Hij loopt tussen de rijen door en observeert. Elk voor zich een kandelaar met een vlakkerend vlammetje. Met het andere beeld is het lastiger, de zeven sterren. Op munten zijn bijvoorbeeld die sterren teruggevonden. Ze symboliseren kosmische machten, planeten mogelijk ook, dat wat inwerkt op de levensloop van een mens: lees het in de sterren, weet uit de horoscopen wat u te wachten staat. Maar het beeld is radicaal getransformeerd. Christus heeft de sterren in de hand. Het spel van de machten, de angsten is uitgespeeld. Nog steeds lijkt angst te regeren, het leven te bepalen: in de strijd tussen India en Pakistan, als bij het minste of geringste voor agressie wordt gekozen, als Amerika maatregelen treft voor het geval er ooit Amerikanen voor het internationaal gerechtshof gedaagd zouden worden … . Christus heeft alles in de hand. Sterker nog: de sterren zijn de sterren niet meer. Elke ster is het oerbeeld, het voorbeeld van een van de zeven gemeenten. Elke ster laat zien: daar moet het met die gemeente, daar moet het met de kerk naar toe. Niet voor niets ook, dat Christus die sterren in Zijn rechterhand houdt, de hand van de zegen, de hand van de bescherming. Zo zal de gemeente eens floreren, als een aantrekkelijke, fascinerende, flonkerende ster. De kerk van Christus: tussen flakkerend vlammetje en flonkerende ster. De kandelaar als teken van het aardse, het hier en nu. De ster als het teken van het hemelse, het straks en daar. In het spanningsveld van deze twee staat het geloof. Hoe rijmen wij het een met het ander? Dit zegt Hij … .

Wat volgt heeft iets van geestelijke zorg, pastoraat, herderschap, van Christus aan ons, van ons aan elkaar. Het is de weg van de 3 C’s: compliment, correctie en contrast. Wij hebben de neiging bij pastoraat te zeggen: dat is toch vooral luisteren, een ander gelegenheid geven zijn verhaal kwijt te kunnen. Dat klopt: pastoraat is luisteren, observeren, meevoelen, invoelen, inleven. Maar het is meer. De grazige weiden, de waat’ren der rust, laten zich niet zomaar vinden. Christus begint met 1) het compliment. Hij stimuleert het positieve. Het helpt niet zoveel als ik iemand wil helpen en zeg: wat ben jij toch een sufferd. Christus probeert eerst het vertrouwen te winnen, te laten horen dat hij weet wat er om gaat. Hij weet, dat er veel inzet is in Efese, dat er veel werk is verzet, keer op keer. Hij weet van de volharding in de gemeente om het toch maar vooral goed te doen, steeds weer voor het goede te kiezen. Het is met andere woorden best een levendige gemeente. In De Bron zouden wij kunnen zeggen: kijk op zondagmorgen, best een aardige, gemêleerde club mensen bij elkaar; een groep mensen die zich actief inzet, aan allerlei activiteiten meedoet, kijk eens wat er gebeurt aan bezoekwerk … . Maar na het compliment volgt 2) de correctie. Christus signaleert dat er tegelijk iets ontbreekt in Efese, de eerste liefde: het prille, spontane, onstuimige, overweldigende, steeds weer verwondering wekkende, het vurige, denkt u maar terug aan de eerste dagen van een verliefdheid. Dát, dat sprankelende, het is verdwenen. Als ik dat doorvertaal naar onze gemeente – het gaat steeds om de gemeente, niet om individuele gelovigen! – dan doe ik dat vragenderwijs. We stellen van allerlei en nog wat eisen aan de eredienst, een ieder naar zijn eigen beeld, maar klinkt daarin de liefde voor Christus wel voldoende door? Vergaderingen moeten zakelijk zijn, fijn natuurlijk als het ’s avonds om 22.00 uur afgelopen kan zijn, maar heerst er wel voldoende de sfeer van de liefde van Christus? Anders gezegd, gevraagd: het lichaam lijkt er goed uit te zien, is best redelijk verzorgd, maar klopt het hart wel? Na de correctie komt 3) het contrast, het contrast met de realiteit van dit moment. Als de gemeente er doorheen komt, als de gemeente in staat is de tegenkrachten te overwinnen, als de gemeente die liefde herwint, dan zal ze eten van de boom des levens, dan kan het als het ware niet meer kapot.

De kerk van Christus: tussen flakkerend vlammetje en fonkelende ster. De kernvraag is vanmorgen: is die liefde voor Christus aanwezig? Houdt U van Hem, zoals Hij is, in de weg die Hij gegaan is, zoals Hij met mensen is omgegaan, zoals Hij Zich vernederd heeft tot op het kruis? Met andere woorden: leeft u uit Zijn Geest? Voor alle duidelijkheid: dat is niet een kwestie van activiteiten, laat staan van activisme, het is een vraag naar de grondhouding. Houdt u van Jezus Christus?
Als wij vanmorgen Avondmaal vieren, dat geven wij antwoord op die vraag. Als wij vanmorgen Avondmaal vieren, dan proeven wij even van wat ons eens te wachten staat, van de boom des levens, van God die alles in allen is.

Alphendebron/020609




Print deze pagina

© 2002, KWdJ