Schriftlezing: Openbaring 7: 1 – 17

Tekst:‘gewassen met het bloed van het Lam’ (vers 14)

Deze preek werd gehouden op een diaconale zondag, waaraan de diakenen het motto ‘passie voor barmhartigheid’ hadden meegegeven.

Maar al dat kwaad in de wereld … . Maar al dat kwaad: met enige regelmaat komt het terug in geloofsgesprekken, of het nu gelovigen zijn, twijfelaars of uitgesproken ongelovigen: voor allen is dit een argument tégen het geloof, tégen God zelf. Menigeen mag dan zeggen ‘ik geloof niet dat God dit bewerkstelligt’, ook dan blijft de vraag waarom Hij het toelaat. Als Hij bestaat, als Hij machtig is, als Hij liefde is … . Voor een deel hebben deze vragen met deze tijd te maken. In de afgelopen week zei iemand nog: als wij aan tafel ons bord niet leeg wilden eten, dan zei mijn moeder: ‘denk aan de kinderen in Biafra’. Maar we wisten dertig jaar geleden amper hoe die kinderen eruit zagen, hooguit waren er een paar schimmige zwart-wit foto’s. Nog een generatie verder terug waren er ook nauwelijks foto’s , alleen verhalen en soms, heel soms eigen ervaringen. Nu kunnen we de meest gruwelijke beelden op TV zien, het lijkt wel alsof de grens daarbij steeds een stukje verlegd wordt, steeds erger wordt het.
Maar al dat kwaad in de wereld … . Wat moeten we daar als gelovigen van denken? Hoe kunnen we het een plaats geven, in ons beeld van de wereld, in ons geloven, in onze omgang met God?

Als één Bijbelboek van gruwelijkheden weet, dan is het Openbaring aan Johannes wel. Oorlogen, rampen, verschrikkingen, moord en doodslag, terreur, alles vernietigend vuur, ernstige ziekte, honger … . Alles is aanwezig.
Johannes ziet (hoofdstuk 6) het Lam, Jezus, op de troon, gezaghebbend, schitterend, omringd door getrouwen: engelen, dieren en oudsten. In Zijn hand heeft het Lam een boekrol met zeven zegels. Eén voor één opent Hij de zegels: de wereldgeschiedenis begint zich in (verwijzende) beelden te ontrollen. Vermoedelijk zijn de gebeurtenissen nauw verbonden met hetgeen de eerste lezers van dit Bijbelboek zelf hebben meegemaakt. Met het eerste zegel begint het hoopvol: met een teken van overwinning. Maar bij het tweede volgt oorlog, en bij het derde honger, bij het vierde de dood, bij het vijfde de roep om wraak en bij het zesde aardbevingen en rampen. De ellende, het is er allemaal! Aan de ene kant wordt dit alles niet (direct) verbonden met God. Aan de andere kant worden de gebeurtenissen wel opgevat als een voorbode, een aankondiging van Gods toorn. Daar schrikken wij misschien van, Gods toorn … . Zou het niet de keerzijde van Gods veel beleden liefde kunnen zijn? God houdt van de schepping, van de mensen, van alles wat Hij gemaakt heeft, Hij ziet wat er van geworden is … . God heeft het aangezien, een mensengeschiedenis lang, maar dat kan niet langer, dat mág niet langer! Dan vallen de winden van Oost, Noord, Zuid en West stil: de schepping houdt als het ware haar adem in, wat gaat er nu gebeuren … ?
Dit ingehouden moment wordt gebruikt om de knechten van God te verzegelen, te beschermen tegen wat komen gaat. Wie zijn dat eigenlijk, die knechten van God? Johannes laat bewust twee zaken, een manier van zien en een manier van horen in elkaar overlopen. Hij hóórt: het zijn er 144.000. Met andere woorden: 12x12x1000, het getal van de 12 stammen van Israël vermengd met het getal van het ontelbare. Met 4 mei in het vooruitzicht is het van belang te beseffen dat het volk Israël bij Gods heilswerk betrokken is en blijft. Nu vallen volk en staat niet samen en we hoeven beslist niet alle handelingen van de staat goed te keuren, als we maar niet vergeten dat ook in het kader van de huidige staat Israël mensen van het Godsvolk bedreigd worden.
Johannes hóórt en ziet de schare die niemand tellen kan. Niet te tellen. Niet in tel. Johannes voegt er vier kenmerken aan toe: uit alle volken, stammen, natiën en talen. Juist die vier kenmerken (vier: het getal van de vier windstreken, van héél de aarde) verschaffen deze schare geen identiteit. Het is de grote, grauwe, grijze massa. Even later zal gevraagd worden: wie zijn zij, vanwaar komen zij. In de Griekse oudheid was dat de vraag naar het paspoort, naar de identiteitskaart: wie of wat legitimeert hun aanwezigheid? Het antwoord luidt: zij komen uit de grote verdrukking, uit de benauwdheid, uit de engte (daar waar het eng wordt in het leven, beperkt, angstaanjagend …). Dit woord verdrukking is verwant met het Hebreeuwse ‘mitsraïm’, dat wij beter kennen als Egypte. Opnieuw schuiven ze in elkaar, horen en zien, de 144.000 uit het Godsvolk en de ontelbaren, zij weten van de verdrukking: van kinderen die in de Nijl worden gegooid om hun ras en hun afkomst, van de holocaust; van het steeds maar meer en harder werken voor minder geld; van verzet tegen de cultus van geld en economie, de moderne afgoderij … . Zou er tussen al deze mensen ook nog een plaatsje voor ons zijn, wij die ons juist als gelovigen bewust zijn van het feit dat we tekort schieten, dat we met onze verspillende levenswijze schuldig staan, dat we toch best meer hadden kunnen doen tégen het kwaad … ?!
Deze voor ons grauwe en grijze massa, afstotelijk misschien, is voor God gekleed in het wit. Hun gewaden zijn wit geworden in het bloed van het Lam. Ze zijn overwinnaar geworden, zoals Hij overwinnaar was én is: het lijden, de ultieme moord op een volstrekt zondeloze, onschuldige, is teniet gedaan: Hij lééft! De zonde is teniet gedaan: let wel de zonde van de onderdrukkers is teniet gedaan. Ik probeer me voor te stellen wat het betekent om deel uit te maken van die ontelbaren, dat grijze grauw: je bent gekwetst, klein gemaakt, maar nu wordt jouw naam met ere genoemd en word je op een voetstuk geplaatst; je hongerde, zocht dag in dag uit naar een beetje te eten, maar nu is dat rusteloze zoeken voorbij en ben je weldoorvoed; je hebt een traumatische ervaring opgedaan, bent gemarteld in een militaire gevangenis, geschopt, geslagen, maar nu geheeld …; je bent om je geloof vervolgd, achtergesteld, gemarginaliseerd, maar nu mag je in het midden staan; je ging gebukt en gebogen onder je leven, je lot, maar staat er nu opgericht en fier … .

Wat zegt dit visioen van Johannes nu over onze omgang met het kwaad in al zijn verschijningsvormen?
1) Al het kwaad, van het tweede tot en met het begin van het zevende zegel staat als het ware ingeklemd tussen de overwinning van het Lam (het 1e zegel) en de gebeden van de heiligen, de gelovigen (het begin van het 7e zegel). Ergens is steeds Gods beschermende hand aanwezig. Dat wordt onderstreept door de veiligheid, de verzegeling die de ontelbaren verkrijgen in de eindstrijd.
2) Aan de ene kant aan het begin de overwinning van het Lam. Aan de andere kant de gebeden van de gelovigen. Die gebeden die dóen er dus toe. Ze helpen, ze steunen, al lijken we er dikwijls zo goed als niets van te merken.
3) Tegelijk roept het visioen van Johannes heel hard de vraag op: waar staan wij, waar staan wij voor, aan welke kant staan wij? Bij de veroorzakers van het leed, of bij degenen die het leed lijden?
4) Het visioen van Johannes draagt het risico in zich van een afwachtende houding: ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’, van religie als opium voor het volk, van geloof als een zoethoudertje: eens komt het goed. Daarom worden wij vandaag opgeroepen om niet alleen met woorden te verwijzen naar deze toekomst in Gods hand, maar juist ook in daden. Kijk, wij proberen nu al om mensen hun misère te boven te laten komen, zoals in ‘De Bakkerij’ in Leiden met projecten voor mensen die ondanks alle voorzieningen nooit hebben geleerd te leven en te schrijven, met inzet voor vluchtelingen, met voorzieningen voor tijdelijk onderdak en met wat niet meer. Dat staat misschien ver van ons af. We kennen zulke mensen nauwelijks. Dan kan het helpen om u eens in te leven in de positie van zulke mensen: als ik nu …, wat zou ik dan hopen, verwachten van anderen?
De diaconie koos als motto voor vandaag: passie voor barmhartigheid. Passie, dat staat voor hartstocht en gedrevenheid. Maar die barmhartigheid is niet los te maken van de passie van het Lam, van Jezus Christus. Juist uit barmhartigheid is Hij de weg ten einde toe gegaan, heeft Hij de kelk van het lijden helemaal leeg gedronken. Alzo lief heeft God de wereld gehad … . Hij wilde niet, dat ze ten onder zou gaan aan ongerechtigheid, aan zonde en schuld, aan nalatigheid, aan egoïsme … . Maar tegelijk laat de passie, het sterven en het opstaan van het Lam zien: het blijft niet zoals het is, het blijft niet bij het oude, het nieuwe, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn aanstaande, dichtbij.

Alphendebron/040502




Print deze pagina

© 2004, KWdJ