Schriftlezing: Roep vanuit de overvloed

Tekst/thema: Psalm 42-43



Samenvatting van de preek:


Eén van de bronnen van de Jordaan, bij (Tel) Dan. Een mens, een dichter, een psalmdichter. Iemand voert een gesprek, in de eerste plaats een gesprek met zichzelf, een gesprek tussen ‘ik’ en ‘mijn ziel’. Gevoelens, overweldigend veel gevoelens komen naar boven. De dichter probeert te sturen, richting te geven. Hij haalt alles uit de kast. Maar het ‘wil’ niet, nog niet, echt.
Hij is ver weg, ver heen, ver van alles wat hem lief is, ver van iedereen die hem lief is. Mogelijk verblijft hij in Dan, in Banias of in een ander dorpje bij het Hermongebergte in het Noorden. Zeker is: verder weg van Jeruzalem is nauwelijks denkbaar. Hij heeft geen uitzicht op verandering, op terugkeer, op overbrugging van die afstand van honderden kilometers.
Wat zouden we het soms graag willen, dan die ziekte ongedaan gemaakt kon worden, dat het werk weer terug was, dat het gelukkige en overzichtelijke gezinsleven van weleer weer kon worden opgepakt. Maar het is voorbij, het is onbereikbaar geworden.

Wat reikt deze mens, deze dichter ons aan? Drie keer schildert hij in poëtische woorden zijn (nood)situatie. Drie keer vertelt hij dat hij zich niet neerlegt bij wat er gebeurt. De eerste keer kijkt hij naar het verleden, de tweede keer naar het heden en de derde keer naar de toekomst. Elke keer eindigt hij met een refrein waarin hij zichzelf krachtig en lieflijk toespreekt: wat ben je bedroefd, wat ben je onrustig -> hoop op God -> ik zal Hem weer loven … . Dit is geloven, een poging te geloven, tegen de klippen op.

De psalm begint met het beeld van de hinde, van het hert, smachtend naar water. Het is dat reikhalzende verlangen dat in de hele psalm hoorbaar en voelbaar blijft. Reikhalzend: ik doe er alles aan, ik probeer, ik ben voortdurend bezig … . Ik wil iets pakken van de bovenste plank van de kast, ik heb absoluut nodig wat daar staat! Ik ga op mijn tenen staan, ik reik mijn armen, mijn handen, zo ver als maar enigszins mogelijk, ik spring, ik kijk om me heen of ik andere hulpmiddelen zie … . Maar wat ik ook doe, ik kan er niet bij. Het lukt niet! Zo dichtbij, maar het lukt niet. Zo dichtbij, maar tegelijk zo ver weg. Ik zit aan een ziekenhuisbed, daar ligt iemand, hij/zij ademt, zij/hij leeft, maar ik heb geen contact. Ik heb God nodig, juist nu. Ik heb de Bijbel, de psalmen en gezangen, de kerkdienst, de gemeente – zoveel lieve mensen – maar ondanks dat alles voelt het kil en koud, zonder ziel. Waar is Hij? Als het met deze hulpmiddelen niet, niet meer, gaat, hoe dan wel? Wat houd ik over?
Er is nog één weg: terug in de tijd, denken aan vroeger, aan beter tijden, aan het verleden. Daar is niets mis mee! Het mag! Maar de keerzijde is weemoed. Het kan verlammen. Het is geen makkelijke weg. De dichter denkt aan Jeruzalem, aan de stad, de tempel, de grote feesten, de mensenmassa’s die op de been zijn, allen met hetzelfde doel, namelijk feest te vieren, te juichen en te loven, God te ontmoeten. Dit weet ik: er ís een tijd geweest dat het goed was, dat het allemaal goed zat, met God, met mijzelf, de mensen om me heen. Het ís mogelijk.
Soms kunnen we in de kerk weemoedig terug denken aan vroeger dagen, aan volle kerken, aan een bepaald elan, enthousiasme. Dat kan een louter terugdenken zijn. Het kan ook een steun in de rug worden: het kon, het kán, het Bijbelse getuigenis heeft het in zich … . Kom op!

Het beeld verschuift. Hoewel … . Eerst een hert dat smacht naar water. Nu zit de dichter er middenin, in de waterstromen. Of beseft hij juist nu, temidden van al het water, dat zijn eigenlijke dorst juist ergens anders ligt?! Soms wordt een mens zo ineens stil gezet. Iemand die veel geld heeft maar ineens tot het besef komt dat dáár de kern van zijn geluk niet ligt. Eén van de bronnen van de Jordaan, bij (Tel) Dan. Ik stel me zo voor dat er mensen rond de dichter zijn geweest die hem erop gewezen hebben, hoe prachtig de plek is, daar in het Noorden bij de Hermon, bij Dan of Banias: zoveel water, zoveel groen, tal van nestelende vogels die hun lied laten horen … . Zoals anderen kunnen zeggen: maar jij hebt je kinderen toch nog, of je hoeft je in ieder geval financieel geen zorgen te maken, of je hebt toch je geloof … . Het is waar, allemaal waar! Maar het helpt niet. Integendeel! Het wordt alleen maar zwaarder. Het water, het frisse water, het worden golven: ‘al uw golven slaan zwaar over mij heen’. Je kinderen begrijpen je niet. Geld helpt niets. Je geloof: je hebt altijd gedacht dat het een goede verzekering was, maar het maakt het allemaal alleen maar moeilijker: God, waar bent U, juist nu?!
Ineens, in het hart van de psalm een vreemd vers: ‘Overdag bewijst de Heer mij zijn liefde, ’s nachts klinkt een lied in mij op.’ Is God dan toch dichtbij? De dichter moet toegeven: ik ben niet alleen, ik kan niet volhouden dat er helemaal niets gebeurt. Of is het de ‘ik’ die de ‘ziel’ andermaal probeert op te beuren? Bij deze regels moet ik denken aan een ervaring die ik had. Op een moment van innerlijke strijd kwamen ineens de eerste woorden van gezang 252 in mij boven: ‘Wat zijn de goede vruchten’. Toen ik het gezang verder doorlas werd ik getroffen door de woorden ‘Maar wie zijn ziel niet prijsgeeft’, en ‘Maar wie zich door de hemel laat helpen uit de droom, die vindt de boom des levens’. Het hielp, het was een steun in de rug. Maar de innerlijke strijd was niet in één keer voorbij. Zo ook de dichter in deze psalm: deze krachtige ervaring compenseert onvoldoende als anderen hem blijven plagen, pesten, honen.
Eerder dacht de psalmdichter aan het verleden, aan Jeruzalem. Nu staat hij bewust in het heden. Hij blijft bidden, roepen, klagen. Hij houdt vol. ‘Waarom vergeet u mij …?’ Hij blijft timmeren op de hemelpoort. Anders is er niet.

Het wordt steeds duidelijker wat de dichter nodig heeft. Hij heeft God nodig, niet zomaar een God, maar een God die recht verschaft. Hij heeft het zwaar, hij voelt zich aan alle kanten bedreigd. Hij is ervan overtuigd: alleen God kan mij helpen. Hij herhaalt de woorden ‘waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd?’ Deze teksten worden ook vandaag nog gebruikt in de rechterflank van het calvinisme, in wat nogal eens de zwartekousenkerken worden genoemd. De vijand, dat zijn niet zozeer andere mensen, maar dat is de zonde. De zwarte kleding is een teken van de macht van die vijand, van zondebesef, het alleen verwachten van God, van Christus. Wij zouden zeggen: dat zwart, dat is een teken van toen, van die tijd. De vijand dat kán de zonde in allerlei gedaanten zijn: het kwaad in allerlei gedaanten, maar ook de onmacht en de onwil om daar tegenop te treden.
Het hert smacht! Hij heeft Gods hulp nodig. Zo begint het, dat is de start. Maar nu begint zich een weg af te tekenen. ‘Zend uw licht en uw waarheid. Laten zij mij geleiden naar uw heilige berg (…). Dan zal ik (!, KWdJ) naderen tot het altaar van God (…), dan zal ik u loven.’ Naast het weldadige verleden, naast het schrijnende heden, tekent zich een hoopvolle toekomst af. Dan zál ik … . Weg uit de ballingschap, weg uit de vreemde, weg uit de verte. Terug, thuis, dichtbij, geborgen bij God. Dat is het vooruitzicht: op éigen benen kunnen staan, met opgeheven hoofd God tegemoet gaan.
Tegen die achtergrond klinkt het refrein ineens heel anders. Daar zat de hoop in opgesloten. Steeds al. De dichter spreekt zijn ziel toe: hoop … ! En nog krachtiger: ‘eens zal ik Hem weer loven’. Maar al die woorden ten spijt, steeds wordt de hoop weer bedolven onder de klacht. Behalve deze laatste keer, dan staan ze, de woorden, dan is het een statement dat niet kapot kan: ‘eens zal ik Hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt!’

In deze Psalm hoor ik vandaag ook de stem van Jezus. Hij brengt in Zijn leven, in Zijn sterven deze psalm opnieuw tot klinken. Hij is kind, kind aan huis bij Zijn Vader in Jeruzalem. Maar hij weet ook van de onderdrukking van de vijand, de grootste verlatenheid aan het kruis, búiten de muren van Jeruzalem. God heeft Hem gezien en gered. In Hem ziet en redt Hij ook ons, zijn broers en zussen.

Alphendebron/070520


De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (3.8 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC of MP3-speler beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2007, KWdJ