Schriftlezing: Psalm 91 en Matteüs 4: 1 – 11

Tekst/thema: ‘Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen’



Samenvatting van de preek:


Als student maakte ik kennis met de contemplatieve kloosters (Benedictijnen, Trappisten). Het fascineerde me. Elke dag kwamen de monniken 6 ŕ 7 maal per dag bij elkaar om te bidden. De psalmen stonden daarbij centraal. Iedere twee weken baden ze het hele Psalmboek door. Aan het einde van iedere dag waren er de zgn. completen, het besluit van de dag. In andere diensten wisselden de psalmen per dag. In de completen waren het iedere dag dezelfde: 4, 91 en 134, net als in de andere gebedsdiensten reciterend gezongen. We concentreren ons vandaag op Ps. 91, in relatie met Matt. 4, waar juist aan deze psalm gerefereerd wordt.

Ps. 91 is een lied vol van vertrouwen. Onder de hoede van, schaduw, toevlucht, vesting, bevrijden, beschermen, vleugels, op handen dragen. Het heeft iets van klassieke liederen als ‘Veilig in Jezus’ armen’, ‘Wie maar de goede God laat zorgen’, ‘Beveel gerust uw wegen’, enzovoort. Op het eerste gehoor vloekt deze psalm met onze wereld, met onze geschiedenis, met onze ervaringen. Lees bijvoorbeeld ‘vrees … niet de pest die rondwaart in het donker’. Maar ook gelovigen worden ziek, geconfronteerd met lichamelijke beperkingen. Of: ‘Gij hoeft uw ogen maar op te slaan op te zien hoe de zonde wordt gewroken’. Maar de familie Mubarak uit Egypte zal hoogstwaarschijnlijk niet vervolgd worden, zal in het buitenland gaan genieten van de royaal vergaarde schatten. Of: ‘zijn engelen zullen u op handen dragen’. Maar vaak is het hard ploeteren in het leven, het gaat zelden of nooit zo vanzelf. Of: ‘roept hij (de mens), dan antwoord Ik (God)’. Maar hoevelen hebben geschreeuwd, gehunkerd, maar lijken nog steeds op antwoord te moeten wachten?!

Sommigen zullen zeggen: voor de monniken is het maar wat makkelijk. Zij leiden een veilig leven, in alle beslotenheid. Toch is dat nog maar de vraag. Ik noem twee voorbeelden. In de eerste plaats moet ik denken aan de recente Franse film ‘Des hommes et des dieux’ (Van mannen en goden). De film speelt in de tijd van de Algerijnse burgeroorlog. De monniken van een klein Trappistenklooster besluiten op hun post te blijven, ondanks de onrust in het land. Ze worden gegijzeld door rebellen. Ze zoeken dan naar hun weg in deze situatie, de weg van Christus. In hun radicaliteit lijken ze sterk op de rebellen. Maar hun doel, de vrede van Christus, is van een heel andere orde. Uiteindelijk moeten zij hun keuze met de dood bekopen.
In de tweede plaats wil ik wijzen op de levenswijze van de monniken. Wij stappen naar buiten, het volle leven in, (bijna) iedere dag opnieuw. Zij gaan de weg naar binnen, naar hun hart. Zij komen zichzelf tegen en daarmee het volle leven. Dat is zo mogelijk nog moeilijker. Zij kunnen niet een ander de schuld geven, zij zullen het moeten doen met zichzelf, met hun eigen slechte gedachten, hun eigen gebrekkige (zelf)vertrouwen. Zij voelen de aanvechting om de bekende woorden van de psalmen en gebedsdiensten langs zich weg te laten glijden … . Als ergens de woestijn van het leven naar boven komt, dan bij hen.

Ps. 91 is een lied vol van vertrouwen. De psalm vloekt met onze woestijn, waarin de pest rondwaart, waarin misdaad lijkt te lonen, waarin niets vanzelf gaat. De psalm vloekt met de woestijn waarin Jezus verkeert. In de doop is Hij aangewezen als de zoon van God. Direct daarna wordt Hij door de Geest (Gods Geest!) meegenomen de woestijn in. God zelf brengt Hem naar deze plaats van onveiligheid, van ontheemding, van uiterste kwetsbaarheid. Zeggen dat iemand de Zoon van God is (zoals bij de doop) is één. Handelen als de Zoon van God is iets anders. Nu komt het erop aan. Veertig dagen en nachten vasten. Dat laat zijn sporen na. Dat doet iets met een mens. Veertig dagen en nachten vasten, dat brengt ons bij het wezen van de woestijn, bij het schrale, het kille, de kern van het dagelijks leven. Als het een mens voor de wind gaat, als hij in de kracht van zijn leven is, dan merken we dat woestijnachtige vaak niet eens. We gaan gewoon door met leven, met ons werk, met het gezin, met de uitdagingen in de vrije tijd. Maar als lichamelijke krachten afnemen, door ziekte en ouderdom. Als je alsmaar geen plek vindt op de arbeidsmarkt. Als je reserves beginnen op te raken … . Dan komt de basale vraag naar zin, naar nut, naar doel als een duveltje uit een doosje. Is er wel een God die levenslang garantie geeft, met jou meegaat, jouw leven leidt … ? Is het waar, waarvan Ps. 91 zingt? Zul je dit lied zelf wel kunnen zingen? Een mens kan twee dingen doen: opgeven of staan voor zijn overtuiging; onverschillig worden of blijven vechten, verlangen, strijden.

Jezus heeft grote honger. Geen wonder. De duivel probeert een wig te drijven, daagt Hem uit: ‘als je de Zoon van God bent, maak dan van deze stenen brood.’ Blijf je vertrouwen op God of zorg je voor jezelf? Jezus blijft vertrouwen. Een mens leeft niet bij brood alleen, maar bij elk Woord dat van God uitgaat.
Opnieuw probeert de duivel het. Nu zet hij in op dat vertrouwen zelf, hij speelt het kat en muis spel: ‘als je de zoon van God bent, spring dan van het hoogste punt van de tempel in Jeruzalem.’ Als je dan luistert naar het Woord van God (‘zijn engelen zal Hij opdracht geven om jou op handen te dragen’ – woorden uit Ps. 91!) … . Blijf je vertrouwen, écht vertrouwen, of probeer je uit of het allemaal wel waar is. Houd je vol?! Jezus blijft écht vertrouwen: ‘stel de Heer, uw God, niet op de proef.’
Dan volgt de derde beproeving, de ultieme. De duivel toont hem de aarde met al haar koninkrijken. ‘Dit alles zal ik je geven, als je je voor mij neerbuigt.’ Wij zeggen misschien: baat het niet, schaadt het niet. Maar ook hier, opnieuw dezelfde vraag: waarop is jouw leven gericht, op Wie? Jezus antwoordt kortaf: ‘Aanbid de Heer, uw God, Hem alleen.’

Wij gaan de veertig dagen in, een tijd waarin we in het bijzonder stil staan bij de keuze die God heeft gemaakt in Jezus Christus, bij de keuzes die we zelf maken. Gaan we voor wat letterlijk voor de hand ligt, een snelle carričre, pakkend alles wat je pakken kunt (vgl. brood)? Of dúrf je soms ook kansen te laten liggen, andere accenten te leggen? Leven we er roekeloos op los, qua energie en milieu, wie dan leeft die dan zorgt (vgl. het springen)? Of leven we geconcentreerd en bewust? Buigen we voor de macht, willen we alle touwtjes in handen hebben en alles tot in de puntjes hebben geregeld (vgl. het buigen)? Of houden we rekening met Gods vreemde macht?
Uiteindelijk komen er engelen om Jezus te dienen, net als in Ps. 91. Uiteindelijk komt het lang verwachte antwoord van God, komt heel de psalm als het ware tot leven. Wie Jezus volgt, gaat waar Hij de weg voor ons gebaand heeft in de woestijn van het leven. Wie zich aan Hem toevertrouwt, hij zal zien: Hij brengt onze woestijn tot leven, met ongekende kleur en pracht. Dat is genade, dat is verlossing, bevrijding. Dat is dicht bij God.
Laten we elkaar de woorden van God uit Ps. 91 zometeen toezingen: ‘Roept hij, de mens, Mij aan, dan antwoord Ik, God’.

Utrechtleidscherijn/20110313

http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2011, KWdJ