Schriftlezing: Psalm 139: 1 12

Thema: Gekend

Buiten vriest het. U staat bibberend buiten. Het is duidelijk: u hebt het koud! Een ander met een dikke jas aan zegt: Lekker warm, niet?! Ik vermoed dat u die ander vreemd zou aankijken. Zou hij niet in orde zijn? Hij doet alsof er niets aan de hand is. Dat kan irritatie en zelfs boosheid oproepen. Hij zit toch, dat ik het koud heb?!

Iets dergelijks kan vandaag opgaan bij psalm 139. Het is koud. De verwarming zou een graadje hoger kunnen, maar het helpt niets. Het is de kou, de kilte van binnen. Omdat u in het afgelopen jaar iemand aan de dood verloren hebt. Of omdat dat misschien al langer geleden is. Of omdat er andere dingen niet lekker zitten, in de verhouding met vrienden of familie. Of in de verhouding met uzelf, omdat u ontevreden bent over uw uiterlijk, omdat u het moeilijk hebt met bepaalde karaktereigenschappen. Als ik nu zou zeggen: Maar God is er toch, Hij is toch bij je? Lees psalm 139 maar, hoe warm, geboren en veilig, Hij is er, ook voor u. Met alle gelijk van de wereld dat geloof ik, dat wl ik geloven ik zou u in de kou laten staan. U zou de indruk kunnen krijgen dat ik u niet zie, niet ken, sterker nog, dat ik u niet wl kennen, me afkeer en opsluit in eigen geloof en gelijk.

Op dit punt van de preek aarzel ik. Zal ik dan nu maar direct verder gaan met psalm 139, of zal ik het beladen woord toch maar noemen: eenzaamheid? Ik wil toch maar met dat laatste beginnen. Er is verschil tussen eenzaam zijn en alleen zijn. Er staat geen isgelijkteken tussen. Ooit schreef koningin Wilhelmina een autobiografie met de titel Eenzaam, maar niet alleen. Ook het omgekeerde kan waar zijn: alleen, maar niet eenzaam. De wetenschap geeft een mooie definitie van het begrip eenzaamheid: het is het verschil tussen de sociale relaties die mensen gerealiseerd hebben en de relaties die mensen zich zouden wensen. Nu, dat lijkt op het eerste gehoor simpel, en soms wordt het ook zo direct gezegd: ga er maar op uit, zoek mensen om je heen, leg contact . Dat kn een oplossing zijn. Maar het hoeft niet. Eenzaamheid reikt verder, dieper. Zo las ik in een boek over een Franaise die door allerlei omstandigheden in Rusland terecht kwam, daar bleef en oud werd. Zij ervoer eenzaamheid doordat ze nooit meer met iemand in haar moederstaal, het Frans, kon spreken. Ooit zei iemand me, wat teleurgesteld, in een drukke feesttent: ook in een huwelijk kan het eenzaam zijn, dominee. En ik wist dat haar huwelijk, voorzover ik wist, niet echt slecht was. Maar soms kan de ander zo ver weg zijn, zo onbereikbaar. Dat besefte ik ook, toen iemand anders me vertelde, dat nu zijn partner overleden was er niemand was met wie hij bepaalde herinneringen kon delen. Hij was nog de enige die ervan wist. Dat kan niemand opvangen of opvullen. Het is alsof bepaalde dingen nooit gebeurd zijn. Naarmate een mens ouder wordt, kan dat gevoel sterker worden. Dat is niet of nauwelijks oplosbaar. De definitie zegt: de relaties die mensen zich zouden wensen. Ik wilde zo graag nog eens met hem of haar praten. Het vreemde is, dat dat zelfs iemand kan zijn met wie de verhouding niet eens zo goed was. Maar nu kan het niet meer. De lijnen, de banden zijn doorgesneden, niet te herstellen. Soms, soms is dat niet te accepteren, onaanvaardbaar. Dan roept dat strijd op, een strijd die het leven zwaar maakt.

Bij het voorbereiden van de preek schoot me in dit verband ook het kruiswoord van Jezus te binnen: God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Daarin proef ik iets van een diepe eenzaamheid. Hij hing daar tussen hemel en aarde, verlaten door de mensen, verlaten door God. Een hel. Op zich al, de kruisdood. Maar in het bijzonder het torsen van de zondenlast maakte het tot een hel: de zondenloze draagt de zonden der wereld. Daarin staat/hangt hij volstrekt alleen. Er is niemand met wie Jezus dat kan delen, die ook maar enigszins kan begrijpen, hoe zwaar dat geweest moet zijn.

Terug naar onze (naar ieders!) eenzaamheid. In hoeverre zijn de gedachten van psalm 139 dan als een warme deken? Het kn een warme deken zijn: dat God er is, wat ik ook doe, of ik nu zit of opsta; wat ik ook zeg; wat ik ook denk. Gods hand ligt op mij. Hoe wonderlijk. Maar het kan ook t warm worden, benauwd, verstikkend. De dichter lijkt ook daar iets van te weten: waar zou ik heen vluchten, in de hemel, aan de uiteinden van de aarde, in het licht of in het donker? Wat ik ook doe, Hij is er. Maar soms, soms wil een mens in een stil hoekje zitten, ongelukkig te zijn.
Dat alles verscherpt de vraag: wat is de zin van Gods aanwezigheid? Natuurlijk, de psalm bepaalt me bij Gods aanwezigheid. Maar helpt het ook? Helpt het die Franse vrouw, ver weg in Rusland? Helpt het die vrouw in huwelijk, wordt het er beter van? Helpt het ons in onze eenzaamheid, als niemand van de geliefden terug komt? Het verdriet, het verlangen blijft. De psalm zegt alleen: er is Iemand met wie je de eenzaamheid kunt delen, een die aan het kruis die eenzaamheid heeft gekend. Maar ook, vooral ook: iemand die jouw eenzaamheid zit, heel persoonlijk. Gij doorgrondt, Gij kent mj, mjn liggen, mjn opstaan. Gij bent vertrouwd met mjn wegen. Mjn pijn, mjn verdriet. Gekend! Erkend! Het wordt niet als zeuren afgedaan. Ik word niet aan de kant gezet, omdat het veel gezelliger was toen we nog met zn tween waren. Het hle leven te delen, dat kan opluchten, misschien zelfs kracht geven, moed geven om nieuwe stappen te kunnen zetten.

Tot slot een fragment uit een verhaal, dat ik las. Het gaat over Jannie. Haar vriend is jaren geleden overleden. Heel jong nog. Hij werkte in India, in de opbouw van de gezondheidszorg, aan de bouw van een ziekenhuis. Op een kwade dag wordt hij vermoord door rebellen. Ze heeft hem niet meer gezien. Na al die jaren is ze er nog niet overheen. Verdriet, boosheid, depressies. Ze zit vol onbegrip, wrok, naar haar vriend toe. Waarom moest hij daar gaan werken, hij wist toch van haar zorgen. Ze strijdt met God, de bekende waaroms, of het iet anders had gekund, of hij met zn grote inzet voor de medemens niet beter had verdiend . Op een gegeven moment brengt ze het op om naar de plaats te gaan, waar hij vermoord is. Ze komt bij het ziekenhuis dat hij bezig was te helpen bouwen. Ze zit vol vragen. Ze vraagt zich af, of het de moeite waard is geweest. Ze ontmoet er een jonge vrouw, die haar iets wil geven: een kat, gemaakt van oude vodden. Ze vertelt een verhaal, uit de tijd van de bouw van het ziekenhuisje. Hoe zij een jong poesje had gevonden en meegenomen. Maar het mocht niet van thuis. Een paar dagen later was het poesje dood. Groot was haar verdriet. Jannies vriend had haar korte tijd later die voddenpoes gegeven, zelf gemaakt. En ze vertelt: hij zg mijn verdriet, hij troostte me, hij nam me in mijn verdriet serieus. Daarom geef ik hem nu aan u, nu hebt u hem nodig.

Heer, Gij ziet mij, Gij doorgrondt en kent mij.

Alphendebron/041121




Print deze pagina

2004, KWdJ