Schriftlezing: Psalm 8

Thema: Van weidsheid en wijsheid

Het kost niet veel moeite ons iets voor te stellen bij psalm 8. Een mens, alleen, in een grote lege vlakte. Een woestijn misschien? De hitte van de dag is voorbij, alles is afgekoeld, het is zelfs wat kil aan het worden. Het is stil, hooguit valt er iets van het ritselen van een enkel nachtdier te horen. Het is donker, in ieder geval donker op aarde. Die ene mens staat daar, kijkt naar boven en raakt gemponeerd: sterren, sterrenbeelden, de maan, schitterend uitkomend tegen de zwarte achtergrond. Hij wordt overweldigd door wat hij ziet. Dan komen de woorden als vanzelf. Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam : zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren . Die schitterende hemel, dat is nog maar werk van Gods vingers, niet meer dan een kleinigheid. De mens voelt zichzelf klein worden: wat of wie is de sterveling dat u hem gedenkt? Wat een weidsheid!

U merkt: het een vloeit uit het ander voort, de ene zin loopt over in de andere, de ene gedacht roept de volgende al weer op. En toch aarzel ik. En ik denk ik niet alleen. Niet omdat ik denk dat het onmogelijk is, zon ervaring, zon majestueus gedicht. Zelf denk ik bijvoorbeeld terug aan mijn studententijd, een introductieweek op de Veluwe. Het was een heldere avond en we gingen met een hele club mensen uit wandelen. Op een gegeven moment bleven we staan, gingen we zitten, gingen sommigen zelfs op de grond liggen om te kijken naar dat fascinerende beeld van de sterrenhemel. Ik kan me herinneren me opgenomen te voelen in een groter geheel. Toch aarzel ik. Is dit niet te mooi, naef, onrealistisch, romantisch . Misschien kan dat wel even, zo zien, soms even. Maar: ven. We worden snel uit de droom geholpen. Als we de volgende dag wakker worden, als de krant in de brievenbus valt, we ontbijt-TV aanzetten, een rouwbrief tussen de post ontwaren. Waar is God dan? Waar is de mens? Geen van beiden lijkt iets te kunnen doen aan het rommeltje dat er op aarde is ontstaan. Kun je dan God loven? Kun je dan de mens bezingen? Weidsheid, ok, maar waar is de wijsheid, wat wijst mij de weg? Voor we daarmee verder gaan ng een aarzeling. De psalm, een lied, is opgekomen uit een diepe ervaring. Een psalm, een lied, pozie is gemaakt van een andere taal, niet bestand tegen de ratio, het verstand, en eigenlijk ongeschikt voor een preek. Toch gaan we nog maar even verder. Juist uitleg kan ons dichter bij de psalm brengen, zodat er misschien iets gaat resoneren in ons leven, zodat we overtuigd mee kunnen zingen.

Hoe vreemd ook, psalm 8 is een psalm van een verdwaald mens, een verdwaald volk. Of beter: van een mens die verdwaald is geweest. Er staat boven: van David. Maar de psalm is later, in de Babylonische ballingschap ontstaan, of in ieder geval op papier gezet. Die ballingschap is begonnen met complete verwarring, gebrek aan orintatie: geen tempel om meer op geregelde tijden te bezoeken, geen Jeruzalem om me je nog aan op te trekken . Associeer maar eens wat bij woorden die ook aan het begin van de psalm staan: vijanden, verzet, wraak. Flarden van herinneringen komen boven: hoe pijnlijk het is geweest om afscheid te nemen van de stad, bij het achteromkijken niets dan puinhopen; hoe pijnlijk het is geweest om afscheid te nemen van kinderen, van familie; hoe vernederend het is met geweld meegevoerd te worden, in het passieve, defensieve gedrukt te worden. Boosheid, verbittering! Wat kunnen wij, wat kan ik? Verrassend dat in al die overwegingen bij het verleden ineens de kreten van zuigelingen en kinderen opkomen! Ook in dat nieuwe land worden kinderen geboren. Hun kreten, hoe onbestemd, hoe onverstaanbaar ook, ze vormen kreten van hoop. De mens, de dichter wordt losgerukt uit zijn overpeinzingen, zijn boze herinneringen, zijn eenzaamheid. Ik ben niet alleen. Ik maak deel uit van een groter geheel. Ik maak deel uit van een volk.
Ik proef iets van het verhaal van de kerk van de afgelopen decennia: weg uit het centrum, weg uit de vanzelfsprekendheid, weg van tradities . Verwarring . En toch, nog steeds, of weer de vitaliteit van zoveel kerkelijke gemeenten. Ik proef iets van het verhaal van die ouder, intussen al meer dan 20 jaar niet of nauwelijks in de kerk geweest, maar als dan dat kind geboren wordt, dan groeit daar ineens een vreemd verlangen om toch nog eens te gaan kijken: je hoort toch ergens bij?! Dat kind moet toch ergens bij horen?!

Waar sta ik? Van het weidse heelal zijn we al terecht gekomen op de begrensde aarde, de gemeenschap waarin we leven. Het antwoord is een vraag, hoewel een vraag met een uitroepteken. Wat is het mensenkind dat u naar hem omziet?! Mensenkind: letterlijk zoon van mens, zoon van Adam. Wie is Kan dat God naar hem omziet? Wie is Abel? Wat heeft Kan te bieden, hij die een van Gods schepselen om brengt? Wat heeft Abel te bieden, beperkt als hij is met zijn zachtmoedigheid? Wat moet de mens die iets heeft van beiden, de hoogmoed van Kan en de angst van Abel? Opnieuw wijsheid. De mens is bijna een god gemaakt: bijna, niet helemaal, helemaal niet, al denken we daar wel eens anders over. Bijna: wij staan dicht bij god: Hij heeft de schepping aan ons toevertrouwd, in onze handen gelegd. Het is dus: mens, handen uit de mouwen. Na het stil staan, na de verstilling, na de aanbidding van dat bijzondere kind, een tweede Adam, zoon van Adam bij uitstek, gaat het leven verder. Het is, zoals dikwijls bij de zegen in de heenzending wordt gezegd: uw taak in de wereld begint nu! Dat bezingen we, met psalm 8, aan de hand van dat Kind dat in Gods naam de wereld met liefde en barmhartigheid tegemoet treedt.

Alphendebron/030112




Print deze pagina

2003, KWdJ