Schriftlezingen: Psalm 84: 1 – 8, Hebreeën 11: 8 – 16

Thema: Nomade of pelgrim? (laatste zondag kerkelijk jaar)

Een weids, maar dor en droog landschap; wat schamel groen, hier en daar, een stuk of wat palmbomen; een tent, een paar tenten bij elkaar zelfs, donkerbruin, niet echt opvallend; naast de tenten een paar kamelen, enkele schapen en geiten, veel is het niet. Het geheel oogt gesloten. Maar wie wil mag een van de tenten van binnen bekijken: kleden en tapijten op de grond, nog veel meer op stapels aan de kant (de nachten zijn koud!); in een hoek wat potten en pannen. Nomaden. Toen, in Bijbelse tijden, duizenden jaren geleden. Nu, ook nu nog, al staat er een waterwagen naast en is in de tent ook een TV te vinden. Het leven is zo slecht nog niet, best goed eigenlijk. Het land is schraal, maar er hoeven maar weinigen van te eten. Niemand bezit het land. Iedereen gebruikt het land. ‘Overal, nergens thuis.’ Steeds weer komt er een moment dat alles bij elkaar gezocht moet worden, de tent wordt ingepakt en de nomaden verder trekken, een nieuw plekje zoeken. ‘Here God, wij zijn vervreemden.’ Bij alle rust heeft de sfeer iets ongedurigs, iets onrustigs, vreemds; het bekende wordt gemist; er is geen richting (waar gaan we nu weer heen, wat zullen we nu doen?), het is zwerven, dag in dag uit.

We gedenken hen die ons zijn voorgegaan, met name in het afgelopen jaar. We hebben vanmorgen in het bijzonder familie en vrienden in ons midden uitgenodigd. Sommigen van hen zullen bij zichzelf iets van het beeld van de nomade herkennen. Misschien zijn er ook anderen, die al jaren geleden iemand aan de dood verloren hebben. Het ongedurige, onrustige, richtingloze: een nomadenbestaan. ‘De zondagen zijn het ergst.’ ‘Ik had mijn kind graag zien opgroeien, willen weten hoe het zich zou ontwikkelen.’ ‘Ik zou moeder nog wel eens willen vragen …’ ‘Na een paar maanden vraagt niemand meer wat.’ ‘Verschrikkelijk, als mensen zeggen “het leven gaat door”. Het gaat door! Maar ik weet niet hoe, dat maakt me bang, onzeker.’ ‘Ik heb twee zussen met wie ik goed kan opschieten, maar die hebben ook hun eigen leven, die kan ik niet elk dag lastig vallen.’ ‘Waarom toch, we hadden goed samen?!’ Gedachten gaan, heen en weer. Het is gaan, zoeken, terugkeren, je neus stoten, weer verder gaan … . Misschien zijn er goede dagen, misschien gaat het soms zelfs een hele tijd goed, maar dan opeens … .

Abraham, de aartsvader, de aartsmens, een oermens, hij is uit Ur, uit Oer weggetrokken, naar Haran, naar het Zuiden, kris kras door het land, naar Egypte vervolgens, en weer terug. Een nomade, gedreven door onrust, steeds maar verder, zonder zichtbaar doel, zonder duidelijke bestemming. Dat is voedsel voor heimwee, voor terug naar het oude vertrouwen, voor noodoplossingen (als Sara dan geen kind krijgt, nu misschien Hagar wel …), voor wegvluchten uit de realiteit van alledag. Maar Abraham (en Sara!) dragen een belofte met zich mee: een zon, een volk, een land. Wat komt ervan terecht? Abraham heeft een stem gehoord, hij heeft gevoeld dat hij moest gaan, maar een plekje voor zichzelf heeft hij nooit echt gevonden. Met moeite komt daar dan nog Isaäc. Het enige stukje land dat hij in bezit krijgt is een … graf: een graf dat hij ook nog zelf moet kopen, met veel inspanning; een graf als teken van de dood, van voorbij, van nooit meer. ‘Naar het land dat Ik u wijzen zal.’ Het mocht wat … . Waar is God dan? Wat is de zin van dit alles? Abraham zoekt en dwaalt, soms verdwaalt hij, is elke oriëntatie weg, doet hij vreemde dingen.

Abraham en Sara: nomaden of pelgrims? Wie kijkt naar de cultuur van duizenden jaren geleden, kan zeggen: nomaden, gefortuneerde zwervers, een paar van de velen, op zich niets bijzonders. Tegelijk zegt de Bijbel over hen: het zijn pelgrims, bedevaartsgangers, ofwel mensen met een doel voor ogen, een visioen. De Hebreeënbrief vertelt het zonder opsmuk, zonder dikdoenerij, eerlijk: ze zijn gestorven zonder de beloften verkregen te hebben, met niets in handen, ze hebben het slechts vanuit de verte gezien wat God bedoeld heeft hen te geven. Abraham en Sara, in hun moeite, in hun tobben, in hun wanhopig wachten en verwachten: ze worden door de Bijbel boven hun eigen leven, hun eigen bestaan uitgetild. Het gaat in en door hen om veel meer dan zijzelf: hun leven krijgt een zin, staat in een zinsverband. Zouden ze misschien bij vlagen toch een hoger, een dieper besef hebben gekend? ‘Ik doe het ergens voor.’ ‘Ik heb het gevoel dat ik nuttig ben.’ ‘Ik lééf.’

Nomade of pelgrim? Psalm 84 verhaalt, hoe iemand verlangt naar Gods huis, naar een thuis, naar warmte, geborgenheid. De dichter denkt aan een ervaring die hij ooit in Jeruzalems tempel heeft opgedaan. Hij is door de poorten binnengekomen en bij een altaar, van ruwe stenen opgebouwd, ziet hij ineens een musje opvliegen. Als hij dan beter kijkt, dan ziet hij een nest met jongen. Hoe kan dat? Hij verwondert zich! ‘Waar vind ik zo’n huis, zo’n thuis?’, zo heeft hij gedacht. Waar ligt mijn levensdoel? Al te snel zouden wij denken: dat zal wel zijn in Jeruzalem, in de tempel. De psalm stelt ons dan wel voor een vraag. Er wordt steeds in meervouden gesproken: huizen, voorhoven, altaren … . Dat kan natuurlijk slaan op alle gebouwen van het tempelcomplex bij elkaar. Het kan echter ook wijzen naar Gods beweeglijkheid, boven de tijd uit: Hij is de Eeuwige! Toen het volk in tenten woonde, woonde ook Hij in een tent (de tabernakel). Toen het volk in huizen verbleef, toen kreeg ook God Zijn huis (de tempel). Toen het volk in ballingschap werd weggevoerd, toen waren er profeten door wie God tot Zijn volk sprak. Het is niet één plek, het is niet één bepaalde plaats. Het is de ontmoeting met de levende God. Dáár ligt zijn verwachting, zijn levensdoel!

Abraham en Sara. Isaäc en Rebecca. Jakob met Rachel en Lea. Mozes, David, Jesaja, Jeremia. Jezus Christus door wie w toegang hebben gekregen tot de God van Israël, door Wie de grenzen van leven en dood doorbroken zijn. Petrus, die zijn Heer verloochende. Keizer Constantijn. Een voor ons naamloze gelovige die hier enkele eeuwen geleden in de polder op een boerderij woonde en jong stierf. Een overgrootmoeder. Mensen wier namen straks worden genoemd, degene van wie u zelf een naam in gedachten heeft. Ook ik, ook ikzelf sta in de rij, ik voeg mij, ik verbind me met al die anderen die zijn voorgegaan. In mijn onrust, in mijn ongedurigheid, in mijn dwalen en verdwalen líjk ik dikwijls een nomade. Maar ik bén een pelgrim. Ook ik ga God tegemoet.

Utrechtleidscherijn/091122



Print deze pagina

© 2002, KWdJ