Schriftlezing: Jesaja 44: 21 – 28; Psalm 98

Tekst: ‘want Hij komt om de aarde te richten’ (Psalm 98: 9b)
(schriftlezing: zie onder. HIER drukken)

Thema: Eindelijk gerechtigheid!

Wij hebben niet zoveel uit volle borst te zingen, te juichen als in deze psalm. Tien tegen een, dat we daar vooral ook tegenaan lopen. Die massieve, overheersende jubelstemming die uit deze psalm naar voren komt. Ze laat geen ruimte voor andere gevoelens. Het lijkt erop, dat wij in onze dikwijls ambivalente situatie in het geheel niet serieus genomen worden. Het is alleen maar juichen en jubelen, niets anders. Of ik wil of niet, ik móet daaraan meedoen. Dat gevoel wordt versterkt door het gegeven, dat er in deze psalm niet direct een mens is terug te vinden: geen klagende ik, geen ik die zijn intieme omgang met God wil delen, zelfs geen vijanden die elders in het psalmboek zou massaal aanwezig zijn. Eigenlijk elke mogelijkheid tot identificatie ontbreekt. Sterker misschien: elke realiteitszin lijkt te ontbreken.

Laten we om te beginnen nog eens beter kijken. Dat zingen, dat juichen dat is niet zomaar. Het heeft een basis, het wordt stevig onderbouwd. Het begint met de oproep om te zingen, maar in de volgende reden wordt onze vraag al beantwoord: want … . In de tweede helft van de psalm is het al net zo. Jubelt, bij citerspel, bij trompetgeschal, met de zee, de rivieren en de bergen, maar ook dan: want … .
Het is dus niet zomaar dat er gezongen en gejubeld moet worden. Tot drie keer toe heeft de psalmist het over bevrijding en redding (in het NBG staat: zege, heil). 1) Vrijheid verschaft hem Zijn rechterhand. Dat klinkt curieus. Het lijkt erop, dat God zichzelf heeft vrij moeten vechten. Hij heeft zich zozeer met Zijn volk verbonden, dat Hij de verdrukking aan den lijve heeft gevoeld. Hij heeft de mannen horen zuchten en vloeken op het werk. Hij heeft de moeders horen huilen om hun vermoorde zonen. Hij heeft de angst van de kleine kinderen, weggekropen in een hoekje aangevoeld. De strijd van Israël in Egypte was de strijd van God zelf! 2) De Heer zélf heeft zijn daden bekend gemaakt, dat hij bevrijding heeft aangebracht. Wij sputteren nog wat. Ik weet van niets … . Daarom staat het er nog eens nadrukkelijk, onontkoombaar: 3) alle volken, heel de aarde heeft het gezien, iedereen is er getuige van geweest. Niemand kan zeggen: ik heb het niet geweten. Tot drie keer toe fluistert in het Hebreeuws de tekst: redding, bevrijding, ofwel Jozua, Jeshua, Jezus. Verwijzend: aan het kruis heeft Jezus mensen bevrijd van zonden, van de machten van het kwaad. Hij heeft in zijn levenswijze, tot aan zijn dood aan het kruis toe heeft Hij de bestaande orde opengebroken. Het heette ‘oog om oog’, maar het kán anders!

Dat klinkt allemaal mooi, maar Israël toen is toch iets heel anders dan Israël nu?! En, wat algemener: laat Gods hand toen en daar duidelijk zijn geweest, maar nu? Of wat persoonlijker geformuleerd: Jezus is voor zovelen een houvast geweest, maar de wereld lijkt niet echt te veranderen … . Dat zijn geen gemakkelijke vragen! Het vreemde is ook, dat het heden in deze psalm niet lijkt voor te komen. Alleen dat zingen, dat juichen. Hoewel … . Bij het tweede ‘want’ wordt ons in ieder geval een toekomstperspectief gegeven: Hij komt om de aarde te richten. Wij, de hele wereld heeft nog iets van Hem te verwachten. Daarom is het zo belangrijk, dat heel de aarde getuige is geweest van Gods grote daden in Egypte. Daarom is het zo belangrijk, dat de naam van Jezus door al die verhalen heen klinkt. Gods daden eens in de geschiedenis, ze zijn exemplarisch voor wat komen gaat. De Heer komt richten met gerechtigheid. Dat klinkt onschuldiger dan het is. Niet iedereen zit daarop te wachten. Er zijn mensen die het goed met zichzelf getroffen hebben, die niets van die gerechtigheid nodig denken te hebben. Er zijn mensen die hebben in de wereld zo ongeveer alles vergaard wat hun hartje begeert. Zij zullen die gerechtigheid niet nodig hebben. Gerechtigheid zal er zijn voor eenieder die weet, hoe ontoereikend zijn eigen daden zijn, hoe beperkt en fragmentarisch, maar zijn toevlucht zoekt bij de Heer. Gerechtigheid zal er zijn voor allen die in deze wereld in het verdo(e)mhoekje terecht gekomen zijn, armen, hongerigen, dikwijls ook vrouwen, kinderen … .

Het is goed, dat een psalm als psalm 98 in de Bijbel staat. Wij zouden het zelf niet bedenken, niet durven bedenken, dat dit mogelijk was: eindelijk gerechtigheid. Een psalm als deze laat zich niet oppervlakkig meezingen, maar vraagt juist om verdieping. Een psalm als deze tilt mij boven mezelf uit. De een zal verdrietig zijn, een ander gespannen voor een functioneringsgesprek op het werk (en alle mogelijke gevolgen), en weer een ander zal angstig zijn vanwege de huidige gespannen wereldsituatie. Al die gevoelens, ze kunnen ons verzwelgen, laten niets meer van onze persoonlijkheid over. De psalmist dicht: zie wat er gebeurd is, daar eens in het verleden, en juich. Hij vervolgt: jubel, vertrouw erop dat Hij komt om te richten gerechtigheid. Laat die vreugde, die blijheid je leven bepalen.

Alphendebron/011021
Alphenmaranathakerk/011125

Psalm 98
A 1a (Een snarenlied)
  1b Zingt voor de HEER een nieuw gezang
  1c want Hij heeft wonderen gedaan
  1d vrijheid verschafte Hem zijn rechter(hand)
  1e de arm van zijn heiligheid
  2a de HEER maakte zijn bevrijding bekend
  2d voor de ogen der naties openbaarde Hij zijn gerechtigheid
  3a Hij gedacht zijn goedertierenheid en trouw aan het huis Israëls
  3b zo zagen de einden der aarde de bevrijdingsdaad van onze God.
  
B 4a Juicht voor de HEER, ganse aarde
  4b breekt uit, jubelt, slaat de snaren
  5a slaat de snaren voor de HEER op de citer
  5b op de citer, met de klank van snaren
  6a op trompetten, met de klank van de hoorn
  6b juicht voor het aangezicht van de koning, de HEER
  7a laat bulderen de zee en wat haar vult
  7b de wereld en wie haar bewonen
  8a laat de rivieren in de handen klappen
  8b de bergen tezamen jubelen
  9a voor het aangezicht van de HEER
  9b want Hij komt om de aarde te richten
  9c Hij richt de wereld met gerechtigheid
  9d de volken met oprechtheid.
 
(bron: K. Deurloo/K. Eykman, ‘Wat heb je, zee, dat je vlucht? Psalmen gelezen, gehoord en verteld’ (Baarn 1986), 18)


Print deze pagina
© 2001, KWdJ