Schriftlezing: Richteren 3: 12 – 30

Thema: De bevrijdende lach



Samenvatting van de preek:

Het gelezen gedeelte uit Richteren 3 kan zonder meer getypeerd worden als een gruwelijk verhaal. Een koning die vermoord wordt, moet worden, daar kunnen we ons wellicht nog iets bij voorstellen. Israël zuchtte onder het bewind van Eglon, de koning van Moab. Een vrijheidsstrijd, deze moordaanslag lijkt een welhaast onvermijdelijk. We begrijpen dan ook best dat Ehud opkomt voor het recht van zijn volk, robuust en zelfverzekerd. Een echte held. Maar er komen ook nog 10.000 Moabieten om. Had dat nu niet anders gekund? Is dat nu niet typisch Oude Testament? Oorlog, geweld … .

Ik kom dit keer wellicht met een wat vreemd voorstel. Ik wil Richteren 3 benaderen vanuit de humor, de spot, de lach. Dat kan verbazen. In het zuchten van het volk stond het huilen nader dan het lachen. De situatie was doodernstig. Het volk roept, schreeuwt zelfs, net als de heidense zeelieden uit het boek Jona. Krachtig! Ik associeer het met gelovige, christelijke mensen die in moeilijke omstandigheden vloeken, geen andere uitweg meer zien. De situatie ís doodernstig. Ook nu. De maatschappij ontwikkelt zich, veranderingen in de economie met de opkomst van nieuwe grootmachten, vernieuwingen in de cultuur, geloof en kerk die maar geen antwoord lijken te kunnen vinden op de moderne wereld. Groeiende onzekerheid. Het heeft iets van herfsttij, vallende bladeren, van dingen die voorbij gaan … .
Toch, juist dan is er de humor, een krachtig wapen. Denk aan uitlachen, hoe kwetsend kan dat zijn! Maar, vreemd genoeg, ook in trieste, verdrietige situaties. Meer dan eens zat ik bij een rouwende familie en werd er uitbundig gelachen. Soms generen leden van het gezelschap zich daarvoor, stoten ze anderen licht verwijtend aan … . Dat doe je toch niet?! Maar juist dan schept de lach ruimte, helpt het om even te ontspannen, relativeert die ene zotte opmerking voor een enkel ogenblik, helpt het om even afstand te nemen van dat gruwelijke, dat verschrikkelijke. Natuurlijk, dat gruwelijke en verschrikkelijke is niet weg, is niet voorbij, maar het biedt een kans om even op adem te komen.

Genoeg. Laten we aannemen dat ernst en humor met elkaar verbonden zijn als schering en inslag. De ernst, de situatie van het ogenblik is de schering. De inslag is de humor, de lach: die staat er haaks op. Toch maken ze sámen het weefsel. Maar: wat valt er te lachen?
God verwekt een richter, een rechter, een mens die recht maakt wat verboden is, iemand die het recht niet in eigen hand neemt, maar in Gods handen legt. Daar worden we in Richteren 3 op een fijnzinnige manier op attent gemaakt. Er is iets met Ehuds hánd. In het voorafgaande deel worden we daar al op attent gemaakt door Othniël met zijn veel bescheidener verhaal. God geeft de koning van Aram in Othniëls hánd en zo krijgt Israël de over-hánd. Hand: dat is blijkbaar een woord om op te letten.
De Bijbel vertelt ons vervolgens dat Ehud afkomstig is uit de stam van Benjamin. Dat is meer dan een feitelijke vermelding. Benjamin kan namelijk betekenen: rechterhand. Alleen het aardige van het geval is nu net dat deze man uit de stam van de rechterhand línkshandig is. In zekere zin is dat zijn zwakte. Maar dat is de kiem van een Bijbels motief, om met Paulus te speken: ‘in mijn zwakheid zal ik roemen’. Of, met een oudtestamentisch voorbeeld: David is de kleinste temidden van zijn broeders, op het eerste gezicht de minst geschikste. Toch zal hij het zijn die dé koning van Israël wordt. Sommige mensen kijken misschien ook zo naar zichzelf: onhandig, ongeschoold, niet echt mooi van uiterlijk, zonder positie of baan waarmee eer in te leggen valt … . De Bijbel zegt en onderstreept het keer op keer: juist de kleine mens wordt in zijn kléinheid groot gemaakt!
Ehud is linkshandig. Daarmee moet hij het zwaard aan zijn rechterheup hangen. Als er dan een mantel overheen gaat, is er bij een oppervlakkig fouillering niets te zien of te voelen. De Bijbelschrijver verhaalt vervolgens: door de hánd van Ehud wordt de koning van Moab schatting gebracht. Nu, we zullen weldra zien, wat voor schatting dat dan wel niet is!
Tegenover Ehud staat Eglon. Hij wordt wat overdreven getekend, met een karikatuur. Meer dan eens wordt gezegd, verteld: hij is dik, stevig, vol van gewichtigheid, een dikdoener. Zijn naam hoeft ons dan niet meer echt te verwonderen: stiertje, kalfje. Weinig vleiend. Het is niet alleen het zwaard van Ehud, waarmee hij bestreden wordt maar ook met het krachtige wapen van de spot. Hij wordt voorgesteld als de ballon, waar je uiteindelijk met het grootste gemak doorheen prikt.
Zo gebeurt het dan op een goede dag dat Ehud met een groep mannen belasting komt betalen aan Eglon, geld, kostbaarheden. Dat is de eerste schatting door de hand van Ehud. Vervolgens gaan ze terug naar huis, maar Ehud maakt rechtsomkeert bij de stenen van Gilgal. Dat was de plek aan de Jordaan, waar het volk Israël het beloofde land binnenging. Het was een verworden plek: voor de losse gedenkstenen van eens waren gebeeldhouwde stenen in de plaats gekomen. Ehud laat in zijn gang de oorspronkelijke betekenis zien: intocht in het beloofde land, een verwijzing naar Hem die hen heeft binnengeleid … . Als Ehud dan terug is aan het hof van Eglon, weet hij de koning op handige wijze te bespelen. ‘Ik heb een geheim voor u.’ En later: ‘Ik heb een woord van God voor u.’ Geheim, God … . De koning hád onraad kunnen ruiken. De Bijbel houdt wat dat betreft zelden van zulke nadrukkelijke geheimzinnigdoenerij. De Bijbel, de God van Israël is een God van openbaring, van opening van zaken … . De koning versterkt het geheimzinnige door stilte te eisen. Het is daarbij opvallend dat zijn eigen naam niet meer klinkt en niet meer zal klinken. Hij is door de verteller op voorhand al ten dode opgeschreven. Het blijft bij ‘de koning’, een neutrale aanduiding, meer niet. Alle anderen gaan weg en Ehud en de koning gaan naar een aparte kamer, een koele kamer. Het is duidelijk strikt privé. Niemand anders mag erbij zijn. De koning staat vervolgens op van zijn zetel, zijn troon, hij verheft zich … om neer te vallen. ‘Machtigen heeft Hij van hun troon gestort’, zo zal Maria eens zingen. Op een grappige manier speelt de Bijbel in dit gebeuren het spel van komen en gaan. Zo Ehud binnen kómt in het vertrek, zo kómt na het lemmet het heft van het zwaard in het dikke lichaam van de koning terecht. Nog eens horen we daarmee: die dikzak … . En: zo het zwaard van Ehud door de koning heen gáát, zo gáát Ehud ook weer weg. Naast het spel van komen en gaan wordt in de Bijbel ook het spel van de geheimzinnigheid nog wat verder uitgespeeld. Ehud had een geheim woord, maar dat blijkt in goede, Bijbelse zin tegelijk een daad te zijn. Met zijn línkerhand pakt hij zijn zwaard en steekt: het vet slúit zich om het zwaard, zoals ook de deuren zich slúiten, gesloten zijn. Niets te zien, niets te horen. Uit de reactie van de knechten van de koning blijkt nog iets: de ruimte is wel erg privé, het toilet. Daarom wachten ze en wachten ze als de deuren gesloten zijn. Ze voelen zich gegeneerd. Hij zal het wel moeilijk hebben. Bij zoiets kunnen ze de koning, uitgerekend de koning, toch niet storen?! Het geeft Ehud alle kans om bijtijds weg te komen.

De geschiedenis van Ehud is meer dan een geschiedenis op zich. Het is een verhaal, een manier van vertellen. De lach, de spot, het leedvermaak overheerst: moet je nu eens zien, die dikdoener van een koning. Ik wil niet te snel morrelen aan de historiciteit van de Bijbelse verhalen. Maar in dit geval kan ik me niet aan de trant van vertellen onttrekken. Het is geschreven om te lachen. Geweld is iets van eens en toen. Die lach klinkt echter door de eeuwen heen, tot op vandaag toe. Ontwapenend … .
Dit soort dingen gebeurt nog steeds, in een verhaal, in het echt. U hebt misschien zelf een goed voorbeeld. Zelf moest ik denken aan die jonge West-Duitser die eind jaren tachtig met een klein vliegtuigje landde op het Rode Plein in Moskou. Daarmee zette hij het hele Russissche veiligheidsapparaat voor gek.

Ehud verwijst naar het evangelie, juist naar de érnst van het evangelie. Eén van de kernwaarden van het evangelie van Jezus Christus is, dat wij op een andere manier leren kijken naar onszelf, naar God, naar ons leven, naar onze daden, de goede en de slechte, naar onze zorgen en vragen. Wij zitten er bovenop, middenin, zijn er onlosmakelijk mee verbonden. Maar God, Hij tilt ons er in Jezus Christus bovenuit: in Hem zijn wij meer dan overwinnaars (vgl. Romeinen 8: 37), meer dan wij ons uit onszelf ooit zouden kunnen voorstellen.

Alphendebron/051002



De gesproken preek downloaden?
Klik op onderstaande afbeelding.
Geef de locatie aan waar het bestand moet worden opgeslagen.
NB: Het downloaden kan enige tijd kosten (4.7 Mb).
Klik hier voor downloaden!
Als u de preek gedownload hebt, klikt u op het desbetreffende bestand en kunt u de preek op uw eigen PC beluisteren.



http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2005, KWdJ