Schriftlezing: Romeinen 8: 12 – 17

Tekst/thema: ‘Kinderen van God’ (2)



Samenvatting van de preek:


Wat is geloven? Er zijn allerlei antwoorden te geven. Geloof in een hogere macht. Een levensovertuiging. Een levenshouding. Sommigen zullen mogelijk iets zeggen als: geloof is een antwoord op de cruciale levensvragen. Anders gezegd: geloven is een zaak van antwoorden, wat sterker uitgedrukt, een zaak van zekerheden. Het is niet moeilijk er een aantal te noemen. God bestaat. De Bijbel is Gods woord. Bidden heeft zin. Je mag niet stelen. Ik zal niet ontkennen dat die antwoorden en zekerheden belangrijk zijn. Ze kunnen troost bieden, vertrouwen, het gevoel weer even zonder zorgen in de armen van je moeder tot rust te kunnen komen. Maar geloven begint naar mijn overtuiging niet met antwoorden maar met vragen. Boven een interview met een van mijn leermeesters stond: ‘Steeds weer vraag ik: kan het ook anders?’

Geloven begint met vragen. Kinderen doen dat al. Ze kunnen ons de oren van het hoofd vragen. Het gaat maar door. Waarom groeien hier planten? Omdat er gezaaid is. Waarom is er gezaaid? Omdat mensen mooie bloemen wilden. Waarom wilden ze mooie bloemen? Enzovoort. Zo krijgt een kind vat op de werkelijkheid. Zo krijgt een mens vat op de geestelijke dimensie van het leven?
We leven op de aarde, onderdeel van het heelal. De ruimte doet zich op een zichtbare, tastbare, op allerlei manieren waarneembare en meetbare manier aan ons voor. Geloven betekent steeds weer als het ware op de wanden van het heel kloppen: wat zit er achter?
Mensen zeggen: loon naar werken. Dat lijkt een soort van natuurwet, door de eeuwen heen. Geloven betekent de vraag stellen of dat werkelijk zo is, of dat inderdaad de bedoeling is? Wie de Schrift leest, wie Gods verhaal met ons mensen volgt, die ontdekt dat dat niet het geval is. Bij God ligt het radicaal anders. God, dat wil zeggen: onze wereld omgekeerd, niet vanuit onze vooronderstellingen te berekenen. Gods fundament is niét loon naar werken, maar genade voor recht. Dat zou niet bij ons opkomen. Wij denken soms misschien wel dat een weldenkend mens toch zus of zo zou doen, maar dat is nog maar helemaal de vraag. De Bijbel laat ons steeds weer zien, hoe anders God handelt. Jakob bedriegt zijn broer Esau. Toch gaat God met hem verder. David pleegt overspel. Toch blijft hij de koning, een modelkoning nog wel. Petrus verloochent Jezus juist als het erop aan komt. Toch bevestigt Jezus hun wederzijdse liefde en vertrouwen. In de taal van onze wereld en onze tijd zou dit soort gedrag onherroepelijk moeten leiden tot boetedoening, tot aftreden … . Maar bij God gaat uiteindelijk de genade voor! Het is ‘om niet’, louter en alleen om wat God wil, verkiest. Iemand schreef: bij geloven gaat het om wat niet kan.

Paulus schrijft vandaag dat wij Gods kinderen (kunnen) zijn. Dat is misschien zo’n gewone uitdrukking geworden dat ons niet eens opvalt hoe vreemd die eigenlijk is. Wij hebben een biologische vader of moeder, of we zijn geadopteerd, of we zijn op een andere manier in een gezinsverband opgenomen. Dat zijn natuurlijke dingen, gegevenheden. Geloven begint bij de vraag: is dat wel zo, kan het ook anders liggen? Ja, het ligt anders, schrijft Paulus.
Paulus schrijft dat we ons kunnen laten blijven leiden door onze eigen wil, onze zondige wil. Met zonde bedoelt hij niet alleen (!) verkeerde dingen. Zonde is in Paulus’ opvatting afgekeerd zijn van God, genoegen nemen met het bestaande, het natuurlijke. We kunnen onze schouders op blijven halen bij de rellen in Londen: dat kan gebeuren. De moordpartijen in Syrië: zulke dingen komen voor. Verliefd worden op een ander dan je partner: ik kan er iets aan doen. Een leugentje om bestwil bij de belasting: je moet soms wel. De dood: een gegeven. Geloven is de vraag stellen: bij Londen, bij Syrië, bij die verliefdheid, bij het leugentje om bestwil, bij de dood. Is het wel zo natuurlijk als wij denken? Kan het ook anders? Je kunt ervoor blijven binnen de cirkel van het bestaande te blijven. Dood noemt Paulus dat. Je kunt ervoor kiezen uit die cirkel te breken, het perspectief te verkiezen dat zoveel weidser is … . De Geest doet ons vragen stellen. De Geest doet ons het onmogelijke zeggen: Abba, Vader. Wij zijn geschapen naar Zijn beeld. Wij zijn geroepen om op Hem te lijken. Maar vaak lijkt het nergens op. Toch: Abba, Vader, broers en zussen van Jezus. Bij God zelf leren we wat echt vader- en moederschap is, trouw tot over de grenzen van de dood heen, zoals we in Jezus Christus hebben gezien.

Wij bedienen vanmorgen de doop. Wie te water gaat, redt het een tijdje met zwemmen, maar uiteindelijk gaat hij in het water ten onder, in de chaos, in de wanorde, in de wereld waarin we leven, waarin sommigen niet verder komen dan overleven. Dat lijkt een gegeven: opgaan, blinken en verzinken. De gelovige vraagt: is dat echt zo? De Geest zegt: nee. De doop betekent en bezegelt ons dat. De doop verwijst naar Christus die ons laat zien dat het niet ophoudt met de dood, dat het niet oog om oog en tand om tand is, da zonden niet voor de eeuwigheid op je kerfstok staan gegrift maar omwille van Jezus Christus vergeven kunnen worden. Geloven, dat is: weten dat in Gods licht deze wereld omgekeerd moet en zal worden.


Utrechtleidscherijn/110814

http://www.kwdejong.info


Print deze pagina

© 2011, KWdJ