Schriftlezing: Romeinen 6: 3 – 11

Thema: ‘met Hem leven’ (naar vers 8)

PAASWAKE



Stellen we ons voor. Een kleine groep mensen is samengekomen, laat op de avond van de sabbat, of eigenlijk aan het begin van de eerste dag van een nieuwe week. Het is donker en de duisternis wordt aanvankelijk steeds sterker. Er wordt intens gebeden. Er wordt gelezen uit wat wij het Oude Testament zijn gaan noemen. In de oude boeken wordt gespeurd naar tekenen van licht. In Genesis, over de chaos die teniet worden gedaan, over het eerste licht. In Exodus, over de uittocht uit het land Egypte, het land van de angst, door het water heen. In Jesaja, waar gesproken wordt over het frisse, levengevende water. In het boek Jona, de profeet die in strijd raakt met God en met zichzelf over zijn zending, over de zin van zijn leven. In Ezechiël, de profeet die een visioen ziet van een dal vol dorre doodsbeenderen die tot leven komen. De nacht is lang. Steeds nieuwe stukken klinken op in de stilte. Zo wordt de hoop gevoed. Tot de haan kraait, tot het icht van de morgen aanbreekt. Dan wordt verteld van het lege graf, dan wordt het licht ontstoken, dan gaat verbazing, verwondering door de mensen heen, de hoop, het geloof wordt versterkt.

Op dat moment stellen de dopelingen zich op, met het gezicht naar het Westen, waar de zon ondergaat. Dat is de plaats van de kwade machten, van de boze. Openlijke wenden ze zich af, keren ze zich om naar het Oosten toe, naar de plaats waar de zon opkomt. Het eerste licht begint juist daar te gloren. De een na de ander wordt bevraagd op zijn geloof: geloof je in de Vader, de Schepper …, geloof je in de Zoon, de Verlosser …, geloof je in de Geest, die levend maakt … . Een voor een dalen ze af in het water, als in een graf. Ze gaan tenonder, kopje onder, het water verzwelgt hen. Dopen is dompelen, onderdompelen, in Christus, in Zijn dood(, én opstaan). Dopen is sterven voor de zonde, sterven aan het kwaad: het zal uiteindelijk geen vat meer op je hebben. Dopen is weten dat jij in je leven tot in de dood gedragen wordt door Jezus Christus. Hij trekt je er doorheen. Dopen is opnieuw beginnen. Hij wenkt. Dopen is ingelijfd worden in de gemeente van al die mensen die jouw geloof en hoop delen. Zo is dopen ook opstaan, uit het water omhoog komen, bekleed worden met een smetteloos nieuw kleed, teken van het nieuwe, andere leven. Zo is dopen voluit een teken van Gods genade, van Zijn barmhartigheid. Dat alles is het voor wie gedoopt is, zijn doopgeloften in deze nacht vernieuwt, voor wie gedoopt wordt, hier vannacht in onze gemeente, elders.

Ik stel me zo voor, dat de voorafgaande beelden ook op een of andere manier Paulus voor ogen hebben gestaan toen hij dat befaamde zesde hoofdstuk uit de Romeinenbrief schreef.

Wij hebben het licht gezien: in de Schriften, in het optrekken van God, in het evangelie, ja zelfs in ons eigen leven kunnen we het vlammetje bespeuren dat God er ontstoken heeft. Daarop willen we ja zeggen, ‘met Hem leven’, dat willen we (opnieuw) bevestigen.

Alphendebron/010414


© 2001, KWdJ